It’s about the control, stupid!

Stel je deze situatie voor: een kantoorgebouw. Een typische grote ruimte met tientallen werkplekken – ook wel “plateau” genoemd. De ramen kunnen niet open. Eén thermostaat om de temperatuur wat te beïnvloeden. De thermostaat bepaalt of er extra koeling of verwarming komt t.o.v. de standaardtemperatuur van de lucht die de HVAC-installatie in de ruimte blaast. (Ecologisch of economisch verantwoord? Nop.)

De 45 medewerkers in de ruimte zijn vaak ontevreden. Dames klagen over koude en tocht, duffelen zich in, leggen fleecedekens over hun benen, slepen door preventieadviseurs gevreesde elektrische verwarmingstoestelletjes aan… De mannen klagen over warmte, leggen heelder okselvijvers aan, begrijpen dus niet waar die vrouwen in godsnaam over klagen. Zijn ze gek geworden? Hitsen ze elkaar niet op? (Goed voor de sfeer? Nop.)

De centrale thermostaat lijkt wel een piano, zoveel wordt erop getokkeld. Elke wijziging van de instellingen wordt onthaald op zuchten van opluchting én gegrommel.
Dan wordt de preventieadviseur er maar bijgehaald.

Ocharme.

Wat kan hij doen? Zeggen dat die 22°C echt wel de ideale temperatuur is voor een kantoor waar “licht werk” wordt verricht? Dat volgens de predicted mean vote het normaal is dat een bepaald percentage niet tevreden is? Dat de grenswaarden van de Codex/arbeidsplaatsen voor licht werk perfect gerespecteerd worden? Dat vrouwen het nu eenmaal sneller koud hebben dan mannen (OUCH!)?

Hij kan al die dingen zeggen, maar hoongelach, misprijzen en meewarigheid zullen zijn deel zijn. Zolang Piet, Jos, Mia en Aldegonda het te warm of te koud hebben, zet het geen zoden aan de dijk. Mensen willen geholpen worden en geen uitleg krijgen die ze niet snappen laat staan iets aan hebben, weet u wel!

Conundrum heet zoiets in het goed Nederlands. Of Catch 22 in het goed Engels.

Een mogelijkheid om eruit te geraken? De placebo-thermostaat™! Trommel een technicus op, en geef hem 2 opdrachten:

  1. Zorg ervoor dat de bestaande thermostaat feitelijk niet meer werkt, maar laat het bakje hangen.
  2. Plaats op strategische plekken minstens 2 extra thermostaten. Let wel: sluit deze niet aan! Dit vraagt nl. heel wat extra bekabeling, aanpassing van de HVAC, dus een pak werkuren… kortom duizenden euro’s die we niet willen uitgeven voor iets wat mogelijks (waarschijnlijk) toch nooit echt goed werkt.

Stel vervolgens per eiland of groep van mensen een verantwoordelijke aan. Laat hem of haar, in naam van de groep, de placebo-thermostaat™ bedienen. Verplaats eventueel wat medewerkers zodat er homogene thermogroepen ontstaan. 

“En, Mia, Jos, Piet en Aldegonda, is het beter nu?”

“Veel beter! Bedankt!”

(Neen, dit verzin ik niet. Reality is stranger than fiction.)

Advertenties

Wat als we automobilisten nu vragen om niet meer te botsen?

Stel je voor dat autoveiligheid zou worden gedaan als het hedendaagse welzijnsmanagement in bedrijven. Vergeet even alle toeters en bellen die aan je wagen zitten en beeld je in dat in de jaren 70 Volvo op dezelfde manier zou hebben gereageerd als sommige preventiemanagementsystemen dezer dagen. Stel je even voor dat Volvo vroeg om wat voorzichtiger te zijn.

 

Photo credit: Rax for Mbl

Laat ons even het gedachten-experiment houden waarbij we in de industrie een niet-botsen programma hebben. Voordat je mag autorijden, zal je een training moeten volgen die door een ervaren trainer wordt gegeven in een leslokaal. Zijn powerpoint zou bestaan uit een 50-tal slides waar telkens in staat niet-botsen. Op sommige van zijn slides zou ook staan dat mensen die veilig rijden, botsen minder. Er zouden statistieken in staan met de Looking Good Index waarin het aantal botsingen al jaren daalt en een tijdje gestagneerd is. Op het einde van de cursus moet je een testje doen en als je slaagt, hoera!, mag je het praktijk gedeelte doen om dan af te sluiten met een certificaat botsing-vrije medewerker. Een keer per jaar moet je een opfrissingscursus nemen, de niet-botsen voor gevorderden. Maar gelukkig is dat een blended-learning verhaal waarbij je achter je computer door diezelfde 50 slides klikt.

Aan de ingang van ons bedrijf staat een groot bord met de slogan ik rij veilig of ik rij niet. Op dat bord staat aangegeven hoeveel tijd er gepasseerd is zonder enige botsing en het laatste record van het aantal botsing-vrije dagen.

Alles gaat goed en we rijden met z’n allen vrolijk rond tot het moment dat er iemand een botsing heeft. Op dat moment doen we een safety stand-down waarbij een manager de procedure over niet-botsen nog eens trager en luider voorleest en zich luidop afvraagt welk deel van niet-botsen was er tijdens de training niet duidelijk? Managers gaan op zoek naar cultuurveranderingsprogramma’s waarbij je aan de hand van het reptielenbrein uitgelegd krijgt waarom je botst. En dat men, wanneer men een beetje voorzichtiger zou zijn, minder zou botsen.

En in de staart zit ‘m het venijn. Volvo vroeg niet dat mensen voorzichtiger zouden zijn en beter opletten. Neen, Volvo dacht anders over veiligheid: wat als we eens geen rekening meer houden met die onvoorspelbare waarschijnlijkheid? En toen ging Volvo er vanuit dat auto’s botsen. Want de meest belangrijke component in die wagen, is tegelijk ook het meest onvoorspelbare element: de mens. Volvo ging er niet van uit dat mensen de keuze maken om te botsen, Volvo startte met het idee dat mensen zullen botsen en als ze botsen, gaan we er alles aan doen opdat er genoeg capaciteit is om hen daar zo ongeschonden mogelijk uit te halen. En toen zag de drie-puntsgordel het licht, gevolgd door 1000’den andere veiligheidssystemen die nu in je wagen zitten.

 

About the skilled and the afraid

Ook op een zonnige vakantiebestemming blijft een preventiegeest actief. Zo was ik nippend aan een mojito getuige van volgende scene: jongetje van een jaar of 10 rent naast het zwembad achterna gezeten door zijn jonger broertje.

Mama roept van op haar ligzetel “Niet rennen, je zal uitglijden en je bezeren (vrije vertaling)” waarna de jongetjes vaart minderen.

Enige seconden later loopt een jonge man (24) in een soort Tia Hellebout-stijl aan om met een sierlijke salto het zwembad in te springen gevolgd door een tweede (21) die met snelle korte stapjes snelheid maakt om enige meters verder een bommeke te doen.

Deze twee gasten hebben in de loop der jaren een loopstijl ontwikkeld die ook in natte slipperige omgevingen geschikt is om ‘te rennen’.

Natuurlijk heeft de ‘Pas-op-mama’ gelijk.

Haar risicoanalyse is correct.

Door het nemen van risico’s te verbieden, voedt ze de kinderen echter op tot bange jongens.

Natuurlijk is rennen gevaarlijk en is uitglijden een reëel risico.

Natuurlijk kunnen ze vallen en zich bezeren of zelfs iets breken.

Maar waar trekken we de grens?

Hoe kan je competentie verwerven als elk risico gebannen wordt?

Laten we gelijk ook maar stoppen met skiën, hard fietsen, rots klimmen, valschermspringen…

Enkele minuten later komen de jongetjes weer voorbij gerend. Met één oogopslag zien ze dat, de nu Cosmopolitan lezende mama, hen niet in de gaten heeft waarbij ze zo mogelijk nog een beetje versnellen.

De preventieadviseur in mij kijkt afkeurend, de rest van mij supportert voor deze gasten die later ook salto’s en bommekes zullen doen.

Druk, druk, druk. Effectieve strategieën om je persoonlijke bezettingsgraad zichtbaar te maken.

(bron foto: dreamstime.com – Michael Brown)

 

Darwin zei het al “Het is niet de sterkste van een soort die overleeft, ook niet de intelligentste. Wel degene die zich het beste aan veranderingen kan aanpassen.”

Burn-out, stress, werkdruk, overbelasting, mentaal verzuim, afhaken, ziek van het werk, oververmoeidheid, work-live-balance zijn de woorden van deze tijd waar individuen, werknemers, belangengroepen, werkgevers, overheden e.a. druk mee in de weer zijn om met aangepaste maatregelen en oplossingen te komen. Tot dan is het een beetje behelpen en blijken zich organisch enkele interessante nieuwe strategieën te ontwikkelen. Zo blijkt “het druk hebben” een nieuwe hype te zijn of, om bij Darwin te blijven, misschien wel een nieuwe overlevingsstrategie waarbij zich ook nieuwe vaardigheden ontwikkelen. Werknemers die deze nieuwe skill set beheersen hebben daarmee een streepje voor op de anderen. Immers op een goede, sociaal geaccepteerde manier, zonder hierop aangesproken te worden kunnen aangeven dat een bepaalde deadline niet gehaald werd, is zondermeer een uitstekende troef.

  • Stap 1: krijg het zelf onder de knie

“Het was voor mij niet echt duidelijk wat er eigenlijk van mij verwacht werd”, “dat had ik zo niet begrepen”, “ik dacht dat er wat anders van mij verlangd werd”, “ik ben het daar eigenlijk niet mee eens”, “Ik was niet geïnformeerd”, “deze info is niet tot bij mij geraakt”, “dit is het eerste dat ik hiervan hoor”, … blijken effectieve manieren om op het vervallen van de deadline aan te geven dat je extra tijd nodig hebt.

Ook het op een goede manier kunnen aangeven dat er van jou niet veel kan verwacht worden past in dit rijtje thuis. “Er zijn nog 36 wachtenden voor jou”, “Jouw puntje wordt het 101 op mijn lijstje van to-do’s”.

Of in de plaats van aan te geven wat wel kan, krijg je een uitgebreide opsomming van de agenda en wat er allemaal nog dient te gebeuren. Mocht je het nog niet volledig begrepen hebben wordt dit aangevuld met het tijdsbestek en (mogelijke) onderliggende taken en opdrachten. Alles wordt letterlijk uit de kast gehaald om maar aan te tonen dat er voor jou geen tijd is. Ironisch genoeg is dáár blijkbaar wel tijd voor.

  • Stap 2: pas het toe op anderen

Eens deze vaardigheden onder de knie kan je ze ook gebruiken om anderen te overtuigen om voor jou bepaalde taken wel tijdig uit te voeren. Hierbij is het van het uiterste belang om de hoogdringendheid te benadrukken en bij voorkeur naar anderen te verwijzen. Het hoeft niet te verbazen dat de klant of de baas hierbij het meest gebruikt worden.

“De klant heeft dit vandaag nog nodig”, ik dien dit vandaag nog door te sturen”, “de klant/baas heeft dit vandaag nog absoluut nodig”, “dit dient absoluut nu te gebeuren”, “ik dien dit nu te rapporteren”, … Als overtreffende trap wordt soms ook het verleden gebruikt. “De klant moest dit gisteren al aangekregen hebben”, “dit is al de 3de keer dat de klant hierachter vraagt”, …

En dan merk je dat ook jij voor iemand dringende zaken hebt moeten afwerken die plotseling niet meer zo dringend blijken te zijn en gerust nog enkele weken bij die andere in het postvakje ‘te behandelen’ blijven liggen.

  • Stap 3: bouw je imago op

Druk telefonerend op een geplande vergadering toekomen of nog even een minuutje te vragen om dan gedurende 5 a 10 minuten een minuutje bezig te zijn terwijl de anderen op jou wachten, zijn effectieve strategieën om je persoonlijke bezettingsgraad zichtbaar te maken of zelf toch nog even de illusie te hebben dat je nog enkele zaken hebt kunnen afronden.

  • Stap 4: toch maar niet?

Misschien kan dit, in de race naar wie het het drukste heeft en het meest van anderen gedaan krijgt, ook weer helemaal anders. Hebben we het niet allemaal druk? Als we daar al oog en begrip voor kunnen opbrengen, kunnen we er dan samen iets op vinden? Zouden we dan niet meer gedaan krijgen?

Darwin zei het al: “In de lange geschiedenis van de mensheid (en ook het dierenrijk) hebben diegene die geleerd om samen te werken en te improviseren, het meest succes gehad.”

Misschien iets om over na te denken. Als daar tijd voor is natuurlijk.

En toen was er weer … het zomeruur

Zoals we met zijn allen gemerkt hebben, werd er in de nacht van 25 maart een uurtje minder geslapen. Intussen zijn we het nieuwe uur alweer gewoon, en kunnen we er weer wat helderder over nadenken.  Tegenstanders van het zomeruur houden uitgebreide pleidooien waarom we hier dringend mee moeten stoppen. Hiervoor gebruiken ze zeer uiteenlopende argumenten:

  • de beoogde energiebesparing heeft in werkelijkheid nauwelijks effect
  • dieren hebben er last van
  • onze biologische klok raakt verstoord
  • er gebeuren meer ongevallen omdat we vermoeider zijn,…

Sommige van deze argumenten zijn  meetbaar. We kunnen bijvoorbeeld het energieverbruik monitoren en kijken of er minder energie wordt gebruikt dan de dag voordien of net niet en daarbij rekening houden met de weersomstandigheden.

Dat dieren er last van hebben vind ik ook nog te begrijpen. Honden gaan niet op de klok kijken om te zien wanneer ze moeten eten, koeien wanneer ze moeten gemolken worden of hanen wanneer ze moeten beginnen kraaien. Maar het zijn voor de goede orde niet zozeer de dieren die last hebben van het zomeruur maar eerder de mensen die de dieren lastig vinden.

Afbeeldingsresultaat voor haan klok

Dan is er de biologische klok die ontregeld raakt. Ongetwijfeld zijn er in ons lichaam cyclische processen die gestuurd door een aantal factoren (licht, activiteitsgraad, …) maar tot nader order is er in ons lichaam geen mechanisme gevonden dat processen regelt op een 24 uur-schaal los van externe factoren. De klok verzetten is eigenlijk net of we met zijn allen afspreken dat we voortaan een uur vroeger opstaan en een uur vroeger gaan slapen. Daar hoef je op zich helemaal geen lichamelijke hinder van te ondervinden.

Tenslotte zijn er die argumenten waar, bij meetbaar cijfermateriaal, een mogelijke oorzaak als conclusie wordt gegeven. ‘Er gebeuren meer ongevallen omdat we vermoeider zijn’. Dergelijke uitspraken die misschien de status van te onderzoeken hypothese verdienen, worden als feit in de pers weergeven. Maar is dat wel zo? Cijfermateriaal bevestigt dat er inderdaad meer ongevallen gebeuren in de week na de omschakeling. Maar behalve misschien vermoeidheid is het ook donkerder, staat de zon lager tijdens de ochtendspits waardoor je makkelijker verblind kan worden en zo kan ik nog wel een paar dingen bedenken die mogelijk bijdragen aan de ongevallen. Een studie van KUL spreekt over ‘wellicht door vermoeidheid’ maar deze nuance haalt de kranten natuurlijk niet. Is er bij de omschakeling naar het winteruur dan ook een tegengesteld effect en gebeuren er dan minder ongevallen?

Los van het zomeruur (ik ben voor noch tegenstander) is het de methodiek van het koppelen van feiten aan vermoedens en deze dan als bewijs verpakken om de eigen stelling te ondersteunen waar ik helemaal gek van word. We zien het ook bij verkiezingen. De kiezer heeft gekozen voor partij X met lijstrekker Y omdat Z. Daarbij zijn X en Y meetbaar immers het resultaat van de verkiezingen maar Z is pure speculatie. Op mijn stembiljet staat er in elk geval geen vakje voor de motivering van mijn keuze.
De kiezer heeft links afgestraft omdat ze zich niet meer kunnen vinden in de linkse idealen‘ is een even loze uitspraak als ‘De kiezer heeft gekozen voor die (voormalige) dikke grappige mijnheer die ze zo vaak op TV hebben gezien‘. Door de veronderstelde oorzaak te verpakken als feit wordt de daaropvolgende besluitvorming gemanipuleerd. De enige manier om weerwerk te bieden als een veronderstelde oorzaak verpakt wordt als feit, is deze conclusie in vraag te stellen. ‘Is dat zo?‘ De daaropvolgende blikken van ongeloof dat je dat niet inziet moet je er maar bij nemen. Volgende belangrijke vraag om te stellen is of er nog andere factoren zijn die een gelijkaardig effect kunnen hebben.

Laat nu in de bedrijfswereld er ook wel eens een enquete gebeuren onder de medewerkers of een cijferkundige analyse van bijvoorbeeld (bijna) ongevallencijfers die bepaalde trends duidelijk maken. Hoe groot is de verleiding om de oorzaak van de cijfers te gaan verklaren. Cijfers zonder conclusie zijn immers alleen maar cijfers. Als je oorzaken wil, zal je hier onderzoek naar moeten doen.
Je moet daarbij vooral proberen te bewijzen dat je geen gelijk hebt. Als dit (nog) niet lukt gaan we ervan uit dat onze verklaring (voorlopig) de beste verklaring is.

Tijdrovend? Inderdaad. Duur? Mogelijk. Maar wie het niet doet riskeert het om zijn beleid te bouwen op veronderstellingen, halve waarheden en hele leugens. Zoiets als argumenteren op een bepaalde manier pro en contra het zomeruur, dus.

“Jaarverslag? Dat ligt hier in de schuif.”

Jarenlang was het de vaste joke. Tijdens opleidingen, tijdens audits.

–        “Wat doet de FOD eigenlijk met al die jaarverslagen die wij hen opsturen?”
–        “Tja, eigenlijk doen ze daar niet echt iets mee, dat ligt daar in een schuif, stof te vergaren.”

Wel, dat is nu voorbij.

Echt.

Je mag nu namelijk het jaarverslag in je eigen schuif bewaren.

De FOD toont daarmee dat ze helemaal mee zijn in de trend om klanten zelf het werk te laten doen. Denk maar aan de banken, waar je nu je eigen betalingen uitvoert, of de zorgsector waar je nu je eigen persoonlijke assistentiebudget mag beheren.

Je moet het wel nog opmaken, dat jaarverslag. Volgens exact hetzelfde formulier, met nog helemaal dezelfde inhoud. Alleen… je hoeft het niet meer op te sturen, je moet het gewoon “ter beschikking houden van de arbeidsinspectie”.

Zoals alle wijzigingen in het voorbije jaar aan de Codex (inclusief de volledige herwerking van de Codex zelf, die ook al op kousenvoeten gebeurde), voelde ook nu de FOD zich niet echt geroepen om er duidelijk over te communiceren. Twee weken na de goedkeuring van het KB (7/2/2018), en niets in de news feed van de FOD te bespeuren. Een summiere vermelding in de handleiding voor de jaarverslagen, daar moeten we het mee doen (voor wie het niet gelooft: via deze link toegankelijk, lees er niet overheen, het staat al in de allereerste paragraaf). 

Nochtans moet dit toch wel heel wat archiefruimte bij hen vrijmaken. Of toch minstens serverruimte. Of beide. Al die jaarverslagen die niet meer bij de FOD in de schuif liggen, maar bij de preventieadviseurs zelf.

Althans, vanaf volgend jaar. Als iedereen het echt gaat weten.

Ik ben eigenlijk benieuwd hoeveel jaarverslagen ze dit jaar nog gaan ontvangen. En of ze die dan allemaal netjes gaan terugsturen met de vraag om die in de eigen schuif te bewaren?

Zullen we een gokje wagen? Ik denk dat er toch minstens 5.000 ondernemingen de FOD nog een jaarverslag gaan sturen.

Wie biedt meer?

Happy birthday, Preventiekronkels !!!