Comfort bruggepensioneerden of welzijn werkenden?

weegschaal-xxx

Het sociaal akkoord over Stelsel van Werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), het vroegere brugpensioen, voorziet in voorstellen rond de verplichte beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Als compensatie voor de werkgevers gebeurde een koppeling met de tarieven voor de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Het compromis van de sociale partners over de activering van oudere werklozen wordt gepresenteerd als “één en ondeelbaar”. Die stellingname valt niet overal in goede aarde. Het voorstel dat op tafel ligt, is bedenkelijk en op een aantal punten zelfs contraproductief.

“Het compromis is te nemen of te laten”, waarschuwden de sociale partners de regering. Ik verzet me hevig tegen dit standpunt. De koppeling is bedenkelijk en komt neer op een transfer van de oudere naar de jongere generatie.

Bovendien zijn de sociale partners niet consequent. In de Nationale Arbeidsraad (NAR) adviseren ze sinds 2009 unaniem om de werking van de externe diensten te versterken, vooral voor KMO’s. De externe diensten zijn immers de enige instanties die deze expertise bij deze organisaties binnenbrengen. Waarom dan van diezelfde diensten 20% middelen afromen als pasmunt voor de niet-activering van SWT’ers? Dat is pure koehandel.

Om te beantwoorden aan de verzuchtingen van de bedrijfswereld hebben de externe diensten hun werking laten evolueren. We ondersteunen organisaties bij de aanpak van maatschappelijke uitdagingen zoals vergrijzing en burn-out. Maar de huidige werkwijze is nog geënt op de oude noden van de industriële maatschappij. Wat voor zin heeft het om jaarlijks meer dan 1 miljoen gezonde werknemers te onderwerpen aan een medisch onderzoek, louter om vast te stellen dat ze gezond en geschikt zijn om te werken? Een kleine bijsturing naar een tweejaarlijks onderzoek is een besparing die drie keer groter zou zijn voor de werkgevers dan de tariefregeling die het sociale compromis nu voorstelt.

Het vastgeroeste overlegmodel maakt dat de sociale partners blijven vasthouden aan routinetaken zonder meerwaarde, en dat is contraproductief. Zo wordt de veelbelovende samenwerking tussen het RIZIV en de preventieve sector genekt, nog voor die van start kan gaan. In dat kader stelde Minister De Block nochtans al een project voor om bedrijfsartsen en geneesheren-adviseurs van ziekenfondsen beter te laten samenwerken om langdurig zieken sneller terug naar de werkvloer te begeleiden.

Hopelijk durft de ministerraad te innoveren waar de sociale partners dat niet kunnen.

 

Wat is een kameel zonder poten?

kameel-xxx

In De Standaard brachten de werkgeversorganisaties onlangs een gezamenlijk standpunt naar buiten dat in essentie zegt: burnout is géén probleem veroorzaakt door de bedrijven, dus kan de oplossing niet van hen komen. Anderzijds gaan er andere stemmen op om burnout te erkennen als beroepsziekte. Voor een bedrijfsarts met ondertussen toch heel wat jaren op de teller, en die ondertussen al véél heeft zien voorbijkomen blijven beide visies toch even eigenaardig. Wat is er mis met ons sociaal overleg als het tot zulke wereldvreemde standpunten leidt? Hoe is het zover kunnen komen?

In 1901 hebben werkgevers aanvaard dat zij de eindverantwoordelijkheid hebben bij een arbeidsongeval, en dat de medewerker die er het slachtoffer van werd, recht heeft op vergoeding. Een enorme stap voorwaarts waarbij voorzien werd in een minimum van sociale zekerheid. Dat tegelijkertijd strafrechterlijke en burgerrechterlijke immuniteit werd verleend aan de werkgever is verdedigbaar, maar had wel als pervers effect dat vergoeding van schade belangrijker werd dan preventie.

Hetzelfde zien we bij beroepsziekten. Ons land heeft een zeer vooruitstrevend systeem, maar het zorgde er bijvoorbeeld bij de mijnwerkers voor dat ook daar vergoeding voor schade (stoflong) hoger op de agenda stond dan preventie bij de sociale partners die over de prioriteiten beslissen. De oprichting van de arbeidsgeneeskundige diensten in 1968 was een verdienstelijk initiatief om beroepsziekten vroegtijdig op te sporen. Bedrijfsartsen hebben hier zeer goed werk verricht, maar de curatieve aspecten en de benadering op individuele basis is te lang bevoordeeld door de organisatorische structuren. In de industriële samenleving van de tweede helft van de 20e eeuw heeft het nochtans vruchten afgeworpen.

Maar de samenleving is geëvolueerd. Arbeidsgerelateerde aandoeningen, met oorzaken die zowel bij het werk als in het privéleven kunnen te vinden zijn, zoals bv rugklachten en overbelastingsletsels, vroegen een bredere aanpak. Die aanpak moest zowel meer de preventie benadrukken als de multidisciplinaire aanpak. De bedrijven moesten de kans krijgen om hun eigen boontjes te doppen, en overleg binnen de bedrijven moest daarbij vooraan staan. De Wet Welzijn van 1996 is een lofwaardige poging om dit te verwezenlijken. Alle actoren (sociale partners, experten,.. ) zijn het erover eens dat dit de juiste benadering was. Ook de eerste uitvoeringsbesluiten van 1998 gingen de goede richting uit.

Jammer genoeg heeft de typisch Belgische ziekte met als belangrijkste symptomen regelneverij en koudwatervrees die goede bedoelingen vakkundig de nek omgewrongen. Vele betrokken en goedmenende werkgevers, vakbondsverantwoordelijken en experten behaalden op het terrein interessante resultaten niet dankzij, maar ondanks het wettellijk kader. Het bleef vechten om de preventie uit de exclusief individuele sfeer te halen, en collectieve maatregelen ingang te doen vinden.

Ondertussen zijn er andere uitdagingen : de demografische evolutie, het gebrek aan economische groei, de concurrentiehandicap, de loonkost, de nood aan toenemende productiviteit leggen steeds meer druk op werkgevers èn werknemers. Dat geldt ook voor het privéleven en de work-life balance. Allemaal maatschappelijke problemen die om oplossingen vragen die breed moeten worden gedragen. Dat betekent inderdaad dat de oplossing niet van de werkgevers alleen kan komen, maar dat zij wel belangrijke partners zijn om mee te denken aan oplossingen voor problemen waarvoor werknemers èn werkgevers via de sociale zekerheid uiteindelijk toch de factuur betalen. Op het terrein zien we werkgevers die smeken om oplossingen voor de vervroegde uitstroom en het verlies aan know how . Experten op het terrein hebben de ervaring èn de know how om hier een rol in te spelen.

Daarom kijken we met stijgende verbazing naar de discussies in verband met de nieuwe taken en de nieuwe tariefregeling voor de externe diensten die vanaf 1 januari 2016 van start gaat. Net zoals bij de Wet Welzijn is er een vrij grote consensus in verband met de prioriteiten en de expertise die moet worden aangeboden. De discussies van de actoren rond de bijhorende tarieven hebben echter een niveau bereikt intelligente mensen onwaardig.

We weten al jaren dat een kameel een renpaard is dat door het sociaal overleg is “gestroomlijnd”. Als de kameel echter geen poten meer heeft, wordt het moeilijk om vooruitgang te boeken.