Zomerse kronkels (2): Technostress, shut the servers down. NOT!

Onder het motto #ZomerseKronkels kiezen in juli en augustus 2017 diverse vaste en gastbloggers een stukje van elkaar, en voorzien het van bijkomend, actueel commentaar.

Drie-en-een-half jaar geleden schreef KrikkeDM een blog over technostress. Over het niet meer MOGEN of juist wel MOETEN bereikbaar zijn na de uren. Net voor de zomer van 2017 liet Kris Peeters ook weer een dergelijk ballonnetje op. Een ballonnetje waarbij ik denk dat veel thuiswerkers stress krijgen van het feit dat ze dan tijdens de uren niet meer de was kunnen doen, of het avondeten voorbereiden. Want om vijf uur MOETEN ze onbereikbaar zijn. Terwijl ze nu in de namiddag een uurtje huishoudelijke taken doen om na de uren dat te MOGEN inhalen. Het is maar hoe je het bekijkt.

Geselecteerde stuk: Technostress, shut the servers down. NOT! (van Kris De Meester,  oorspronkelijk gepubliceerd in februari 2014). Veel (her)leesplezier.

4 24 12-technostress-image

Schuif niet alles in de schoenen van de inspectie (of de werkgever)!

Het ACV klaagt vandaag in de kranten aan dat er te weinig controleurs zijn om na te gaan of bedrijven wel  voldoende preventiemaatregelen nemen in de strijd tegen burn-outs. Dit is een jaarlijks terugkerende oproep van de vakbond en de werkgevers gaan daar een eind in mee. Maar om nu ook al burn-outs als argument in te roepen, gaat om meer dan één reden te ver.

Het preventiebeleid inzake psychosociale aspecten (incl. stress, burnout, pesten, enz.) is in de eerste plaats een zaak van werkgever en werknemers zoals ook bevestigd door de sociale partners. Zo hebben ze er in een gezamenlijk advies voor gepleit om de voorrang te geven aan collectief overleg op ondernemingsniveau. We nemen aan dat ACV met zijn oproep niet bedoelt dat een Comité PBW en/of vakbondsafgevaardigden weinig nut hebben. In datzelfde advies wordt er ook op gewezen dat een individu dat een probleem van psychosociale belasting heeft, hiervoor in eerste instantie de algemene wijzen om problemen op te lossen in een onderneming dient te gebruiken. De werknemers hebben daarnaast ook meer dan voldoende wettelijke instrumenten in handen om problemen aan te kaarten en naar oplossingen te zoeken.

Het is dan ook eigenaardig om nu de Inspectie ‘toezicht welzijn op het werk’ als de grote hefboom te beschouwen. De problematiek overstijgt trouwens het domein van welzijn op het werk en kadert ook in het HR-beleid van de onderneming én in de (loopbaan)keuzes die de werknemer al dan niet maakt. Omwille van de complexiteit en het feit dat ook persoonlijke factoren (persoonskenmerken, aspiraties,…) spelen, kan, zelfs met goede preventiemaatregelen, overigens niet gegarandeerd worden dat elk probleem voorkomen wordt.

Noteer wel dat ook de werkgevers vragende partij zijn voor voldoende bemande en kwalitatief sterke inspectiediensten in het kader van het realiseren van een ‘level playing field’ voor alle ondernemingen. Efficiënte inspectie bestaat trouwens niet alleen uit het één op één inspecteren van ondernemingen. Datamining voor gerichte controles, een ‘one to many’ aanpak op sectorniveau, preventiecampagnes, optreden naar aanleiding van ongevallen of klachten, … inspectiediensten zetten een gamma van instrumenten in om hun doel te bereiken. Het aantal inspecteurs tellen en afzetten tegen het aantal ondernemingen is dus een beetje kortzichtig.

De boodschap die ik uitstuur naar bedrijven is om als uitgangspunt te vertrekken van ‘Hoe creëer je een organisatie waarin werknemers het beste van zichzelf kunnen en willen geven?’ Bevlogen werknemers, mensen die met goesting en trots werken, daar ligt de win-win voor het bedrijf en de betrokkenen. Dat betekent dat ik vraag om te focussen op alle aspecten van de job en de werknemer, nu en later, en om in te zetten op het ontwikkelen van werknemers via competentiemanagement, talentmanagement en loopbaanbegeleiding.

Conclusie: ja, werkgevers en werknemers zijn gebaat bij adequate inspectie maar dat u met uw jaarlijkse oproep als ACV hier nu ook al de oorzaak van burn-outs in ziet, is meer dan een brug te ver.

Er gebeuren rare dingen om me heen…

bron afbeelding: quoteaddicts.com

bron afbeelding: quoteaddicts.com

De titel haalde ik bij Urbanus. De inspiratie bij een een socioloog, een sneeuwvlokje en mijn onbehagen. Laten we beginnen met mijn onbehagen. Dat is het makkelijkste. Ik heb een offensief, provocerend karakter. Ik ben ronduit allergisch aan traagheid, domheid, immobilisme, ontwijken van ownership en passieve agressie…

Kortom, ik pas niet meer in onze wereld. Op mijn 45ste ben ik een fossiel aan het worden. Temidden van sneeuwvlokjes en sociologen.

De term sneeuwvlokje leerde ik een tijdje terug kennen in een opiniestuk in de Morgen. De term duidt op mensen die zo gevoelig geworden zijn, dat ze minstens even kwetsbaar zijn als sneeuwvlokjes. Het beetje het omgekeerde van zwarte pieten. Die kunnen nog tegen een stootje.

Feit is dat ik stress krijg van sneeuwvlokjes. Ik probeer ze maximaal te ontwijken. Net zoals yoga en oorkaarsen… Maar soms, soms kan ik het niet ontwijken. En het scenario is telkens hetzelfde: ik kom thuis vol stress. Teveel irrationaliteit en ongestructureerdheid. En korte tenen. Gelukkig ben ik met een ingenieur getrouwd. Die snapt dat. Die is zelfs de overtreffende trap in rationaliteit… Geen sneeuwvlokje, tenzij onder de microscoop om het te bestuderen vanop een veilige afstand. Weemoedig het hoofd schuddende.

En vergis je niet: sneeuwvlokjes zijn agressief. Ze eisen dat iedereen rekening houdt met hen. Dat de lange tenen, en de “kwetsbaarheid” die hen uitkomt, de norm wordt. Heel gevaarlijke valstrikken zijn dat voor een preventieadviseur. Voorzichtigheid met hen is geboden. Ze eisen dat de gehele omgeving met de rem op leeft. Zodat zij kunnen floreren…

Onlangs werd ik nog geconfronteerd met een sneeuwvlokje. Een leidinggevend-hoger-kaderlid-sneeuwvlokje… Ik had weinig tijd, en wou de motivatie achter een bepaalde beslissing te weten komen. Om dan feedback te kunnen geven. Maar mijn vragen waren te kordaat en te rationeel… Ik kreeg te horen dat het “niet fijn meer was.” Dat ik te snel en te rationeel vragen stelde.

Een fossiel dus. En dan bedoel ik mezelf. Ik wist even niet wat me overkwam. Er zit enorm veel arrogante passieve-agressie in die uitspraak van het sneeuwvlokje… Het legt de norm niet in de groep of respect. Het legt de norm bij zichzelf. En grijpt de macht over zijn slachtoffer. Of zoals Nietzsche het al verwoordde: It is impossible to suffer without making someone pay for it; every complaint already contains revenge.

En dat brengt me bij de socioloog van dienst. Marc Elchardus een paar weken terug, ook in De Morgen. Over de onverdraagzaamheid in discussies als zwarte piet, de aanleg van een tramlijn voor je deur of het net niet verbieden van open haardvuren,…

We hebben allemaal wensen en idealen. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Goede kantjes en irritante kantjes. En daar moeten we mee leven. We moeten vooral niet willen dat iedereen die een in onze ogen afwijkend gedrag vertoont, dat gedrag moet afzweren. Desnoods met een GAS-boete.

Heb je liever geen open haard? Fijn voor jezelf en je familie (die daar hopelijk mee akkoord is). Eet je zelf geen vlees? Fijn. Vind je zwarte piet niet kunnen? Deal, schakel direct over naar de kerstman of huur een roetpiet in. Het is een vrije wereld. En het staat iedereen vrij om een maximaal welzijn na te streven. Ook als preventieadviseur moeten we de grootste gemene deler voor ogen houden en bij wijlen wat afstand houden van individuele klachten.

Maar laten we in deze eindejaarsperiode vooral pleiten voor verdraagzaamheid. Van het cultiveren van wie anders denkt en handelt dan jezelf. In plaats van te eisen dat iedereen “mijn eigen norm” hanteert.

Laten we dat doen. Sneeuwvlokjes en fossielen. Veggie’s en carnivoren. Laten we stoppen met elkaar de zwarte piet toe te schuiven. En vanuit een valse kwetsbaarheid de eigen norm op te leggen. Laten we samen het glas heffen (en als je niet moet rijden, zelfs een glas teveel), bij een vuurmand in open lucht, met een toastje foie gras. Gewoon ouderwets gezellig.  😉

Uit het leven gegrepen: ‘de stagiair’

kater-xxx

Na al die jaren op de schoolbanken volgde de ultieme uitdaging: de vergaarde kennis uit de voorbije jaren toepassen in de praktijk op een finale stage.

Het leek altijd een ver-van-mijn-bed-show, de stage op het einde van mijn opleiding. 60 dagen lang meelopen met een professional en eindelijk ervaren hoe de zaken er in de praktijk aan toe gaan. Een leuk vooruitzicht, maar opeens was het zover, de eerste stagedag bij Konsilo. Vol zenuwen en stress naar het kantoor te Leuven vertrekken voor een eerste opdracht zonder echt te weten wat ik zou moeten verwachten.

Achteraf bekeken vlogen de dagen voorbij. Telkens nieuwe opdrachten, situaties of uitdagingen. Dit bracht uiteraard opnieuw de nodige zorgen en stress mee. Zorgen die ik nog niet echt had ervaren. Werk voor klanten dat moet klaar geraken, schoolopdrachten indienen, dagrapportage tijdig ingevullen en dan overal nog op tijd geraken, het was een heel ander ritme dan wat ik gewend was. Ik begon al te denken dat ik dringend eens een risicoanalyse over de psychosociale aspecten bij een stagiair zou moeten maken!

De balans? Positief en negatief…

Positieve punten:

  • Zelfstandig leren werken met gevarieerde opdrachten
  • De enorme uitbreiding van mijn kennis
  • Een uitgewerkt LinkedIn-profiel
  • Nieuwe connecties gemaakt met verschillende interessante mensen
  • Lekker gegeten en veel koffie gedronken
  • Naar de ontmoetingsdag (Navorming) van het PVI kunnen gaan
  • Opleiding Intern Auditor volgen tijdens de stage en het certificaat behalen
  • Verschillende kaartjes gekregen van mensen die mij later nog gaan kunnen helpen

Negatieve punten:

  • Urenlange files meegemaakt
  • Een kater (1)
  • Sommige ochtenden iets te vroeg moeten opstaan

Het hoofddoel was natuurlijk dat ik iets kon bijleren door het te doen en daarvoor ben ik echt “met mijn gat in de boter gevallen”, zoals ze dit bij ons zeggen. Een afwisselende stage met bijna elke dag een verschillend bedrijf, een ander probleem dat moet worden opgelost.

Het zal precies wel meevallen met die risicoanalyse psychosociale aspecten.

 

 

 

Psycho: wat na de hype?

 

Psycho is nu al een paar jaar een hype. Het is een beetje begonnen met Milquet als minister van arbeid. Nu die gevallen is, mag van mij de hype ook vallen. Hoewel ik vaststel dat sociale partners, externe diensten en inspectie nog volop aan het kicken zijn.

De sociale partners zien psycho als onderhandelingsmaterie. De ondernemingsraad met zijn spelletjes over verlof, opslag en extra aanwervingen bouwt met behulp van psycho pasmunt op. Jammer. Ik heb liever dat de ondernemingsraad wegblijft uit mijn comité.

De externe diensten weten begot niet hoe ze al die overbodige preventie-eenheden moeten laten opsouperen door de tertiaire sector. Psycho is een cash cow voor hen. Of een excuustruus tot je er van pure stress bij neer valt. En hoe meer psychologen op je werkvloer rondlopen, hoe meer werk ze voor zichzelf creëren door de hype zuurstof en brandstof te geven. Psychologen als pyromanen.

En de inspectie… tja… Hier ga ik even mijn joker inzetten. Kwestie van mezelf niet in nesten te werken.

Terug dus naar psycho. Er zijn twee kanten aan psycho. De evidente kant waar we nultolerantie hanteren: pesten, ongewenste intimiteiten, racisme, …

En er is de “andere” kant, de subjectieve kant van de stress. Daar wil ik het hier over hebben. Het is een gepolitiseerd dossier. Je kan er niet mee winnen. Volgens velen moet je constant opnieuw mensen aanwerven om de werkdruk aan te kunnen. Moet je constant minder gaan werken en meer verdienen, anders is het leven ondraagbaar.

En dat geloof ik nu eens niet. Er is een immense sociale druk in onze samenleving. Een verlengd weekend breng je in Barcelona of een andere “city” door. Wintersporten doe je jaarlijks. Een nieuwe smartphone is een evidentie. Facebook moet je om het uur checken. En likes zijn levensnoodzakelijk. Maar als je daar stress van krijgt, is het de schuld van de werkgever…

Om al die consumptie mogelijk te maken hebben we veel verlof nodig. Aanders kunnen we niet én skiën, én citytrippen én naar Zuid-Frankrijk voor drie weken én én én… Maar hebben we ook veel cash nodig, om dat allemaal te betalen. Dus moeten we weinig uren werken waar we heel veel geld voor krijgen. Maar tegelijk mogen we geen stress krijgen van dat werk, anders hebben we geen energie over om te consumeren… Tja… een gordiaanse knoop als je het mij vraagt. Een citroenloopbaan omdat we alles willen. En we alles nu direct willen.

Geen wonder dat we shrinks nodig hebben. Zeker als je ook nog eens die andere hype gelooft: “Gij zult geen schaap zijn”. Met andere woorden: je bent uniek en je moet jezelf voor de volle 100% realiseren. Je mag geen ondergeschikte, uitvoerende positie ambiëren. Je moet je eigen job-inhoud creëren. Job crafting om het trendy te zeggen. Je moet baas zijn. Je moet scoren en de beste zijn… en consumeren in je vrije tijd. Nooit meer rust. RIP is voor later, veel later…

Back to reality. De meeste mensen zijn perfect happy met een nine-to-five. Met gewone, leuke taken. Met uitvoerend werk. Waarbij ze zichzelf in essentie realiseren door gewoon sociaal contact met gewone collega’s. En een koffie op maandagochtend. Omdat het pure feit van collega’s en een job te hebben ontstressend is. Werken is leuk, is sociaal en is nodig.

Stress? Als je het mij vraagt doen we het voor een heel groot stuk onszelf aan. Zet je facebook af en wees tevreden. Ligt het toch aan je werkgever (wat zeker en vast kan, want we mogen die snoodaards ook niet onderschatten), onthou dan goed dat er een war on talent bezig is. Er zijn veel meer jobs voor handen dan er mensen op de arbeidsmarkt zijn. Verander van werkgever. Want je bent het waard.

Just be. Be happy.

En dan ga ik nu genieten van die 27°Celsius buiten, met een aperitiefje. En drie dochters met een zonnebril op hun wijsneus.

 

Was het nu 1999 of 2016?

1999 moet het geweest zijn. Eén van mijn eerste jobs. Ik werd er twee keer in 1 weekend overvallen. Echt waar. De eerste keer bonden ze mijn handen op mijn rug, voeten vastgetaped en mond idem dito. Om dan met een revolver in mijn nek de meest idiote vraag ooit te stellen: “Where is the money”. Hmmm, mond dicht, ledematen vast. Nu ja, wie gevangenis riskeert voor 120.000 BEF heeft sowieso een IQ dat niet echt boven de middelmaat zit.

De tweede keer keek ik plots in de loop van een revolver. Nog geen 48 uur later. Men had me verteld niet te lang thuis te blijven om geen angst voor de werkplek te krijgen. En werken in een hotel is een droomjob, weet je wel. “A genoux”, en ik gewoontegetrouw “Yes, don’t worry.” Om pas daarna te beseffen dat het deze keer in het Frans te doen was…

Mijn directe leidinggevende was er bij de tweede keer. Gillend als een varken dat gekeeld wordt. Op managers kun je rekenen. Dat weet ik sindsdien. Rekenen wel, maar bouwen… Ik zie me nog aan zijn frak trekken om hem ook op zijn knieën te krijgen. Rechtstaan durfde ik niet. En hij bleef maar gillen, de Pieter*…

De horeca. Toffe omgeving. In 2000 verbouwde een ex-collega, nu ja “collega”, mijn kantoor met een baseballknuppel. Hij vond zijn ontslag ten onrechte. Misschien dacht hij er anders over nadat de joint uitgewerkt was. Wat ook de reden van zijn ontslag was…

En in 2002 werd er op me geschoten. Dat was het summum. Ik heb een groot bakkes, maar tegen zomaar out of the blue schieten, kan ik niet op. Niet in het Frans, niet in het Engels en al helemaal niet in Brussels-Frans. Daar stopte mijn carrière in de horeca. Vanaf dan heb ik alleen nog aan een bar gehangen, maar er nooit meer achter gestaan.

Vandaag zijn we 17 jaar verder. En plots begon een medewerkster te gillen. Zomaar aan de copier. Ze had het verkeerde bestand gedelete. Gillen, in het West-Vlaams. Dat geeft wat. De geest van de Pieter oproepen in minder dan een seconde. Hij is nog steeds even bleek, maar wat kun je anders verwachten van een geest?

En ik? Ik zat op slinger en slag terug in 1999. Zo diep kunnen trauma’s zitten. Je ziet of hoort ze 17 jaar lang niet. Tot een West-Vlaamse ze zomaar oproept. Alsof het een geest is.

 

*Pieter is een fictieve naam

Poes met blote buik…

 

bron foto: larallo.wordpress.com (elke gelijkenis met onze poes is louter toevallig)

bron foto: larallo.wordpress.com (elke gelijkenis met onze poes is louter toevallig)

Onze poes heeft zichzelf een blote buik gelikt. Stress luidt het verdikt. Het prijskaartje van deze diagnose gaf mij dan weer stress. Mais bon, ze is trendy. Onze jongste poes is “in”.

Als goede preventieadviseur vroeg ik me af hoe ik de grondoorzaak van de stress kon achterhalen. Participatief werken is niet echt een optie. Ze miauwt hooguit eens, maar daar stopt de inbreng. Een enquête gaf trouwens hetzelfde resultaat. Een miauw aangevuld met een likje. Dezelfde likjes die haar vacht weglikken… Observatie is het enige wat me rest.

Volgens de dierenarts komt het wel vaker voor des winters bij “binnenpoezen”. Stress. Om 9u beginnen ze hun actieve dag nadat ze ontbeten hebben. Whiskas, de rest laten ze links liggen. Om 9u dus… een schoonheidsslaapje in de bedden van de kinderen. Keuzestress: drie bedden, twee poezen.

Om een uur of 11 komen ze de living ingedwarreld. Dezelfde stress: drie radiatoren, twee poezen. Languit stoven op een radiator. Overleg tussen de poezen, kopjes geven, ego-tripperij, … Alles er op en er aan. De onderlinge pikorde bepalen, maar geen knijt doen. Tot ze beslist hebben wie op welke radiator zal liggen stoven. Als je ze ziet liggen, denk je eerder aan lijkstijfheid dan aan “stijf van de stress”.

En dan denk je… zou dit soms ook zo gaan bij mensen? Botsende ego’s. Nutteloze vergaderingen. Drukdoenerij voor en na het eten als belangrijkste factor van stress? Zijn we te hoog doorgeschoten op de piramide van Maslow? Zou een klein beetje honger soms niet beter kunnen zijn? Om Stijn Meuris te parafraseren, want over oorlog wil ik het nog niet hebben.  Teveel besognes om niets? Te weinig om het lijf voor echte stress? Of is dat taboe?