Allemaal een beetje (maar niet té enthousiaste) Duivels

duivels-xxx

Het is bijna zover: De eerste wedstrijd van de Belgen op het Europees Kampioenschap Voetbal 2016. Dat brengt heel het land in feeststemming! We zijn één van de favorieten en toch gaan we met een klein hartje, want enkele van onze topspelers zullen er niet bij zijn… Naast aanvoerder Vincent Kompany en Bjorn Engels, moest ook Jason Denayer afhaken voor het voetbalspektakel in Frankrijk. En Nicolas Lombaerts zal er maandag uiteindelijk ook niet bij zijn. Dat zet een beetje een domper op de sfeer.

Want leuk is anders. En toch, het overkomt de besten (in dit geval de Belgen).

Maar wat doe je  ertegen? Preventie is de oplossing. Dat is natuurlijk niet nieuw voor de doorgewinterde preventieadviseur. Die weet dat door oneigenlijk of verkeerd gebruik van het materiaal – ingeval van de sporter is dat het lichaam – mankementen en gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Bij fysieke inspanning wil dat zeggen dat de kans op vele pijntjes en blessures hoger ligt. Daarom is voor onze Duivels een evenwichtig en uitgebalanceerd trainingsschema een must.

Een te intensieve training is gevaarlijk. Een klassieke fout is ‘overtraining’. In een optimaal oefenschema neem je voldoende tijd om te herstellen van gedane inspanningen. Maar als je te lang wacht, blijft je conditie status-quo. Al die moeite voor een vlakke lijn! Pfoeh, dat is pas écht verloren moeite… Het is de kunst je training op het juiste ogenblik te stoppen en – zeker even belangrijk – te hervatten. Zo zorg je ervoor dat je prestatieniveau geleidelijk verhoogt. Neem het van mij aan: kalmpjes aan is meer dan snel genoeg. En dat is ook mijn levensmotto, mooi toch?

Je moet ook steeds alert blijven. Bij spier- of gewrichtspijn moet een eerste belletje beginnen rinkelen. Als je dat negeert, treedt er een vermindering van de prestaties op en riskeer je oververmoeidheid. En dat is niet alles. Er is ook het gevaar dat je andere (sluimerende) risico’s en problemen wakker schudt. Lusteloosheid, prikkelbaarheid, grotere slaapbehoefte en een trager herstel na je training. Voetbal, een spel?

Wat me ook nog van het hart moet, is dat voor heel wat atleten en sporters zelfkennis blijkbaar een heikel punt is. Veel voetballers (en andere sporters) overschatten hun recuperatiesnelheid. Ze denken te snel dat ze weer speelklaar zijn en sukkelen zo van de ene blessure naar de volgende. De trainer laat zich er ook door vangen. Een  goede begeleiding is noodzakelijk, maar zeker niet makkelijk.

En ook over acute sportletsels kan ik wel een boompje opzetten. Bij een ploegsport zoals voetbal is de kans daarop zeker zo groot. Verkeerde bewegingen, verkeerd neerkomen, botsingen met andere speler(s), de doelpaal of de bal. Bij breuken, ontwrichtingen of kneuzingen kan een pols, arm, schouder, been, knie of voet het getroffen lichaamsdeel zijn. Hoofdletsels loop je meestal op in het vuur van het spel (bij kopduels of door een elleboog, voet of vuist vaneen andere speler ). Een bloedneus, een hersenschudding, schaafwonden, tand- of oogletsels kunnen het resultaat zijn. Het tackelen, de schwalbe, het onzorgvuldig draaien van gewrichten of bruusk stoppen veroorzaken dikwijls kwetsuren zoals kneuzingen, verrekkingen  of scheuren van spieren, pezen, kruisbanden of ligamenten.

Ik moet er maar aan denken en ik grijp al naar mijn knie. Ik verga zowat van de pijn. Dat krijg je ervan als je met de pet van preventieadviseur naar de wedstrijden kijkt. Ik raak helemaal van de kaart nog voor de aftrap gegeven wordt. Voor mij raakt stilaan meer en meer duidelijk wat de les is van het hele kampioenschap: het is dom en gevaarlijk om aan sport te doen!

En toch probeer ik er iets positiefs uit te halen: misschien kan ik voor de opfrissing van het theoretisch gedeelte van de EHBO-cursus naar de voetbaluitzendingen kijken. Voor het praktisch gedeelte zet ik toch liever een andere oefening op het programma.

Als ik dit allemaal even herlees en een beetje verder redeneer, heeft – volgens mijn bescheiden mening – de Nederlandse bioloog en auteur Midas Dekkers overschot van gelijk: sporten is nutteloos, vaak schadelijk en erg ongezond! Genoeg bewegen is meer dan voldoende. En een stuk veiliger…

Lekker veel tijd voor mezelf

boeken-xxx

Eens om de zoveel tijd heb ik tijd voor mezelf. Mijn vrienden gaan volledig op in de voetbaldrukte. Zij hossen van de ene barbecue naar het andere dorpsplein om samen naar de rode duivels te kijken. WK of EK, kwalificatie of the real stuff… maakt allemaal niet uit. Leuk voor hen! Zij stoppen desnoods een uur vroeger om op tijd klaar te zitten voor het voetbalfestijn. Allemaal samen in de vervroegde file.

Soms gaan ze iets later slapen dan gewoonlijk, wanneer de match – of zeker de nabesprekingen en viering van de overwinning – pas laat afgelopen is. Helemaal uitgeslapen zijn ze de volgende morgen niet altijd. Dus ook niet helemaal aandachtig, wat de veiligheid niet ten goede komt …

De (aanloop naar de) zomerperiode is meestal een tijd met iets minder werkdruk dan in de rest van het jaar. Je kan achterstanden wegwerken om met een propere lei en vol goede moed het nieuwe werkjaar te beginnen. Er is bijna tijd om te ‘chillen’.

Als de Rode Duivels spelen, is het op vele plaatsen nog rustiger. Dat geldt ook voor mijn baan. Zo krijg ik minder infovragen, zeker in de namiddag (als de voorbereidingen voor de match mensen hun gedragspatroon beginnen te bepalen).

Zo kijk ik dus al uit naar de match tegen Wales. De voorstress ken ik als ‘voetbalblinde’ niet. Terwijl de rest al gespannen voor de buis bivakkeert, ga ik op mijn gewone uur naar huis Er is veel zitplaats op de tram. Massa’s zitplaatsen! In de winkel waar ik altijd mijn inkopen doe, heb ik het hele pand voor mezelf. Er staat geen wachtrij aan de kassa. Ik ben veel vlugger thuis. In vergelijking met anders ben ik toch een half uurtje vroeger klaar met ‘koken en eten’.

Ik heb meer tijd voor mezelf. Er is geen bal op de teevee. Of juister gezegd: er is alléén die ene bal op teevee. Dus kan ik de boeken die al maanden liggen te wachten op een lezer ter hand nemen. De teevee-series die ik opgenomen heb – of waarvan ik met nieuwjaar van mijn petekind de DVD-s cadeau kreeg – worden eindelijk uitgepakt en bekeken. Goeie boeken trouwens. En goeie series! Ik ben een tevreden mens.

En ik hoor dat de rest van de Belgen ook tevreden is! Na het fluitsignaal juichen ze de hele buurt toe. Ze toeteren enthousiast en zingen overwinningsliederen. Mooi toch, die gezamenlijke vreugde …

Als het feestgedruis zich in de cafés terugtrekt, kruip ik tevreden in mijn bed en lees nog een hoofdstuk in een pracht van een boek. Uitgeslapen en alert verschijn ik de volgende (maan)dag op het werk. Aan mij kan je een voorbeeld nemen! 🙂

De jury heeft altijd gelijk (zelfs al heeft ze ongelijk)

informed

Docwerkers hebben een brede interesse. We lopen graag met onze kennis te koop en zijn nogal competitief ingesteld. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat we graag quizzen. Vorig weekend was het weer de jaarlijkse quiz van de personeelskring van onze moederorganisatie. Met wat (ex) collega’s vormden we het quizgroepje ‘Safety first’ onder het motto: “Meedoen is belachelijker dan winnen”.

Dat motto viel wat tegen (we waren maar met vier van de zes ingeschreven quizploegleden , de antwoorden kwamen niet of heel moeizaam, en soms wisten we helemaal niet waar het over ging). Het resultaat? De middenmoot van het klassement. Het zal de leeftijd wel wezen.

Bij één vraag dachten we “Yes! Dat punt halen we zeker binnen.” Het ging over rookmelders. En daar hebben we net een heel succesvolle campagne over afgerond. Als we een joker hadden mogen inzetten…

De vraag in kwestie was: In welke ruimte van je huis hang je “volgens de brandweer” het best een rookmelder op? Als antwoord kon je kiezen uit:
• De living
• De kelder
• De keuken
• De slaapkamer

… Doe zelf maar een gok…

Tijdens onze rookmeldercampagne hebben we overal in het land mensen gesensibiliseerd over het belang van rookmelders. En over de juiste plaatsing van de melders. Brand maakt ‘s nachts de meeste slachtoffers. Overdag waarschuwt je neus je voor beginnende brand. Als je slaapt ruik je niets, dan moeten rookmelders je wakker maken. Hang ze dus op een plaats waar de warme, stijgende rook vermoedelijk naar toe gaat, én vooral waar je ze kan horen. Als je er maar 1 of 2 hangt, doe dat dan in de traphal en in de buurt van de slaapkamers.

Toen de antwoorden van die ronde werden voorgelezen, bleek tot onze grote verbazing dat ‘de kelder’ het antwoord was dat de jury in gedachten had. Dat hadden ze ergens gelezen op de site van een brandweerkorps.

Met ons ploegje hadden we op voorhand afgesproken dat we alle antwoorden zouden accepteren. De jury heeft namelijk altijd gelijk, zelfs al hebben ze het fout. Die organisatoren steken hun ziel en zaligheid in zo’n avond, dan ga je niet discussiëren (lees zeiken) over de antwoorden. Dit punt hadden we dus niet gescoord. Enfin soit, volgende ronde.

Aan de andere kant, aan een hele zaal quizzers werd doodleuk verteld om hun rookmelders in de kelder op te hangen. Ik hoop niet dat er al enkele hun melders hebben verplaatst.

Tegenwoordig kennen we een nog nooit geziene toegang tot informatie. Massaal veel info is slechts een paar muisklikken verwijderd. En met de intrede van smartphones en tablets lijkt het alsof we overal en altijd toegang hebben tot alle mogelijke info.

En toch valt het me steeds vaker op hoe slecht geïnformeerd mensen tegenwoordig zijn en hoe lichtzinnig ze omspringen met wat ze op het internet lezen. Komt het misschien door de information overload? Ik hoor zelfs vaker dat journalisten uit de klassieke media hun bronnen niet of nauwelijks checken. Met alle neveneffecten vandien. Denk aan de hoax over het seksuele appetijt van de Vlamingen per kiezersgroep voor het één-programma “basta”.

Iedereen heeft meningen à volonté en strooit die kwistig in het rond. Maar bijna niemand checkt z’n bronnen deftig. Ik ken mensen die Facebook vaarwel hebben gezegd omdat ze onpasselijk werden van het grote aantal domme, kortzichtige en ongeïnformeerde reacties op nieuwsberichten.

Hoeveel mensen baseren zich voor boude stellingen niet op slechts één(!) bron, of op iets wat ze al-dan-niet halvelings hebben gehoord. Voor velen is het blijkbaar tijd voor een workshop zoekstrategieën en bronnenonderzoek. Ik ken wel een adres waar ze zoiets organiseren.

Tot slot even de puntjes op de i:
Mocht het toch nog niet duidelijk zijn, Je hangt je enige rookmelder NIET in de kelder. En om onze collega’s daar ook van te overtuigen staat dat vanaf nu ook te lezen op de bedrijfs Yammer-site.

Het ‘wat-hebben-we-vandaag-geleerd’-gehalte

typmachine-xxx

De meerderheid van de bezoekers van de gespecialiseerde bibliotheek waar ik als doc-werker werk, is preventieadviseur of -in wording. Over het algemeen zijn hun vragen erg gevarieerd.

Dikwijls heeft het te maken met een opdracht uit de opleiding. Wij kennen de (fictieve) bouwfirma ‘N.V. Raam’ ondertussen wel. Een aantal syntheseoefeningen van de opleiding zijn risicoanalyses voor deze firma. De cursisten weten dat wij weet hebben van deze oefeningen. Daarom komen zij dikwijls vragen naar de oplossingen van vorige promoties (‘je moet niet steeds opnieuw het warm water uitvinden’) – doch zij vangen bot.

Met het kopiëren van de antwoorden van vorige groepen is het ‘wat-hebben-we-vandaag-geleerd’-gehalte miniem. Daar schiet je op je job echt niks mee op. Bij onze Dienst Opleidingen weten ze dat ook. Daarom zijn ze wel zo snugger om de werkstukken van de voorgaande groepen achter slot en grendel te bewaren.

Verder komen cursisten natuurlijk inspiratie opdoen voor de keuze van hun eindwerkonderwerp. Meestal vertrekken ze daarvoor vanuit hun werksituatie. Op die manier sla je twee vliegen in één klap: je vindt een onderwerp waarvan je al minstens een basiskennis hebt én ook je baas heeft iets aan de werkprocedures die het resultaat zijn van de risicoanalyse (die de hoofdbrok van je werkstuk vormt). Iedereen tevreden.

Voor velen is het ook al jaren (of zelfs decennia) geleden dat zij nog eens een eindwerk of scriptie op papier hebben gezet. Dus komen ze een paar goede voorbeelden vragen. De opmaak en uitwerking van papers heeft een evolutie doorgemaakt sinds hun laatste schrijfsels. Veelal werd de elektrische (of zelfs mechanische) typmachine daarvoor gebruikt. De illustraties en/of tabellen waren kleine kunstwerkjes gemaakt met een tekenpen en Oost-Indische inkt. Waar is de tijd … Het zag er minder professioneel uit, maar de charme en ijver straalde er vanaf! Toch veel prettiger dan het kopiëren en plakken vanuit het internet. Of ben ik nu gewoon oubollig en nostalgisch?

Het is nu misschien minder artistiek, maar het heeft nog steeds andere voordelen. Zo verrassen velen zichzelf – en hun collega’s – met de bruikbaarheid van hun opzoek- en denkwerk. De checklists of veiligheidsinstructiekaarten uit de bijlagen van de papers worden dikwijls jaren later nog gebruikt. Dat geeft een prachtig gevoel: al de moeite om een eindwerk te produceren, bewijst dan toch zijn nut!

Heel wat vragen lijken makkelijke vragen, waarop het vinden van een antwoord een stuk moeilijker is dan je op het eerste gezicht dacht. Dat zijn de ‘heb-je-een-voorbeeld-van-…’-vragen (van de lessen die door de hiërarchische lijn getrokken worden uit een ongevalsanalyse – van de communicatie naar de werkvloer – van een waterdichte aankoopprocedure voor niet-gecertificeerde machines – …). Lijkt simpel en is snel gezegd, maar vraagt dikwijls veel tijd.

Ik kan dikwijls zelf wel een voorbeeld verzinnen want heb een rijke fantasie … maar dat is niet professioneel. Dat hou ik beter voor in mijn vrije tijd. Of voor op de blog 🙂

De ene doc-werker is de andere niet

docwerker-xxx

De dokwerkers: iedereen denkt ze te kennen. De hardwerkende, stevig gebouwde havenarbeiders … Die zijn er zeker. En je kunt er niet naast kijken. Ze vormen een sterke groep. Wat nodig is: ze moeten op elkaar kunnen vertrouwen bij de gevaarlijke jobs die ze uitvoeren. De halsbrekende toeren die ze soms moeten uithalen bij het laden en lossen van majestueuze oceaanschepen: daarvoor moeten er duidelijke procedures en werkmethoden zijn natuurlijk.

Maar ik ben van een andere soort: een doc-werker met een ‘c’. ‘Doc’ als afkorting van documentatie. Ik werk in een vakbibliotheek rond arbeidsveiligheid en welzijn op het werk. Bij ons vind je een kleine schatkamer van informatie over veiligheids- en preventiebeleid. Steeds meer mensen kennen ons: alle mogelijke types zitten ertussen. En daar zijn wij blij om. Ze komen bij ons langs om informatie te vragen over de meest uiteenlopende onderwerpen – en dikwijls niet de gemakkelijkste. Dat maakt het natuurlijk tot een boeiende job.

De vragen zijn meestal complex. Hoewel: niet enkel de vragen. Ook de bezoekers zijn apart. Ieder komt met zijn eigen verhaal, zijn eigen vragen en zijn eigen karakter. Dikwijls – maar zeker niet altijd – zie ik als iemand binnenkomt al bij welke groep de bezoeker te catalogeren valt (het gebruik van deze term kan je tot onze beroepsconditionering rekenen 🙂 ).

Als er een iets ouder echtpaar verschijnt, weet ik hoe de informatievraag ongeveer zal klinken. Dan gaat het over de volgende eigenaarsvergadering van het appartementsgebouw waarin ze wonen. Er is een groep van medebewoners die het niet nodig vindt, dat de brandladders elk jaar gekeurd worden. Of een andere groep vindt dat een vervanging van de balkons veel te duur is – en dus niet nodig. Of ze vragen zich af wat er verplicht is: blusapparaten of brandslangen.

De jaarlijkse vergadering van de bewonersgroep is volgende week, en we zouden graag weten wat erover in de wet staat, zodat er geen discussie en ruzie meer is, hé meneer” zegt de bezorgde vrouw dan. En voor ik kan antwoorden, begint de echtgenoot een verhaal over de vergaderingen van de laatste jaren: “Toen wij in die blok gingen wonen, meneer, waren wij allemaal nog een stuk jonger natuurlijk. Wij wonen er al van in het begin, maar stilaan verhuizen er mensen – naar een home, of naar hun tweede verblijf in Zuid-Frankrijk. Of ze sterven. En dan komen er andere mensen wonen, waar we op een andere manier contact mee hebben. Of helemaal geen contact! En die ook anders tegen het leven aankijken dan wijzelf. Wij proberen met onze buren altijd goed te accorderen. Maar niet iedereen is zo, hé meneer.” “En alles wordt duurder,” gaat zijn vrouw verder. “Terwijl onze kinderen al lang uit huis zijn en wij een klein spaarcentje hebben, zijn veel van die nieuwe gezinnen in onze blok nog jong – met veel kosten voor de opvoeding van hun kinderen. Dat ligt al achter ons natuurlijk. Wij hebben ondertussen al acht kleinkinderen.”

En zo gaat het nog een kwartier (of langer) door. Terwijl ik luister, zoek ik naar een brochure of de regelgeving rond hun vraag. Soms vind ik het en kan ik het meegeven. Soms ook niet en vraag ik of ze een mailadres hebben. Dan beloof ik verder te zoeken naar nuttige info, die ik hen zal toesturen. Als ze geen internetadres hebben, vraag ik hun postadres en stuur ik de informatie per post. Ze zijn blij met het luisterend oor en het (“dan kunnen we op de vergadering van de bewoners een beetje verduidelijking geven. Hartelijk bedankt voor de moeite en voor uw tijd, meneer”).

Wanneer ze de deur van het documentatiecentrum achter zich gesloten hebben, citeer ik gewoontegetrouw de Nederlandse cabaretier Herman Finkers en zeg: “En weer verlaat een tevreden klant het pand”. Waarbij ik mezelf ook tevreden voel. Het is een mooi leven, dat van doc-werker.