Wij overdrijven niet

wijoverdrijvenniet

Enkele weken geleden hoorde ik op de radio een gesprek met een deelnemer van het tv-programma ‘Komen Eten’. De man in kwestie was na een maagoperatie 50 kg afgevallen en getuigde over hoe zijn levenskwaliteit hierdoor verbeterd was. Zijn vriendin was zelfs 70 kg afgevallen en woog nog 60 kg. Ook zij werd aan het woord gelaten, over het trouwkleed dat ze ging kopen voor het nakende huwelijk en dat ze nu zelfs nagefloten werd op straat en dat je dit als vrouw toch wel fijn vond. Ik weet nog dat toen ik dit hoorde, ik bij mezelf dacht: “Is dat zo?

Nauwelijks een dag later, interview op dezelfde zender over de mediastorm rond de blog “Mijn naam is niet Hey Sexy” waarin Yasmine Schillebeeckx grensoverschrijdend gedrag hekelde en waarop Marc Didden in een reactie in “De Morgen” haar ‘Juffrouw Truttebol’ had genoemd. Wie de moeite doet om de voorbeelden van wat vrouwen elke dag meemaken op straat, in de metro, op bus of tram te lezen op #wijoverdrijvenniet, kan moeilijk beweren dat het hier om ‘Truttebollen’ gaat die vooral niet zo flauw moeten doen. Voorbeelden over ongewenst lichamelijk contact (van schurken tot grijpen), verbale agressie, bedreigingen, achtervolging, versperren van de weg enzovoort. Er staan tal van voorbeelden van gebeurtenissen die gewoon een overtreding van de strafwet zijn en de daders zijn wat mij betreft criminelen.

Het is vooral de spagaat tussen de beide standpunten van nagefloten is fijn tot nagefloten worden is overschrijdend gedrag die me intrigeert. Misschien is het wel het verschil tussen vroeger en nu. Vroeger (weet je wel toen alles beter was) was een nette verschijning nafluiten niet meer of minder dan een compliment geven wat door de dames in kwestie of genegeerd of met een schalkse lach en een wulpse huppelpas als compliment aanvaard werd. Enkele dagen later weer een interview op de radio over hetzelfde thema. Eén van de Twitter-ende dames zegt dat als ze zeker zou weten dat het fluiten ook echt als compliment bedoeld was, het inderdaad wel fijn zou zijn, maar dat door alle negatieve ervaringen ze niet meer in staat was om het als compliment te kunnen zien.

Nu ben ik zelf iemand die bij een ongeval of pech spontaan stopt om te helpen, die lifters niet aan de kant van de weg laat staan en soms zelfs ongevraagd, wildvreemden een lift aanbied als de omstandigheden hierom vragen. Zo reed ik vele jaren geleden op zondagmorgen met de auto naar de bakker nadat het die nacht extreem geijzeld had. Toen ik op de stoep een bejaard echtpaar voetje voor voetje zag schuifelen, ben ik gestopt en heb ik aangeboden hen naar hun bestemming te voeren. Ik kreeg een vriendelijk bedankje maar het was niet nodig, onze Lieve heer zou wel voor hen zorgen. Ik opperde dat onze Lieve heer mij misschien op hun pad had gebracht om hen naar huis te brengen en vervolgde zonder aandringen mijn weg.

Bij een andere gelegenheid reed ik in de late avond huiswaarts. Ik woonde ‘op den buiten’ en reed over een weg die zich door de velden slingerde. Het was ijskoud, het regende pijpenstelen en een harde wind maakte het nog wat onaangenamer. Boven op een brug over het Albertkanaal passeerde ik een jonge vrouw die in deze verschrikkelijke omstandigheden in de richting van het dorp stapte (laatste bus gemist?). De dichtste huizen waren nog zeker anderhalve kilometer ver weg en omdat ik ben wie ik ben, stopte ik om het arme kind een lift aan te bieden. Nu echter geen vriendelijk bedankje maar een botte weigering, een begin van paniek op het gelaat en onrustig flitsende ogen op zoek naar een eventuele vluchtweg. Ik heb zelfs niet de moeite gedaan om haar gerust te stellen en te overtuigen van mijn goede bedoelingen en vervolgde, onthutst door zoveel wantrouwen, mijn weg haar achterlatend in de striemende regen met wat zij waarschijnlijk ‘een negatieve ervaring’ zal noemen.
Toen ik dit later vertelde aan mijn collega’s werd ik op ongeloof onthaald. Dat deed je toch niet, als het donker was stoppen om een vrouw een lift aan te bieden. Ik weet nog dat toen ik dit hoorde, ik bij mezelf dacht: “Is dat zo?

Evolueren we naar een gecrispeerde maatschappij waarin ook goedbedoelde initiatieven per definitie verkeerd uitgelegd worden als het een interactie man – vrouw betreft?
Moest niet ik maar mijn echtgenote in de verschrikkelijke herfstnacht gestopt zijn, zou de hulp dan niet in dank zijn aanvaard? Moest er geen jonge vrouw maar een man gelopen hebben, zou die niet gemaakt hebben dat hij in de auto zat? Dat de verschillende sekse van de gesprekspartners een factor is in de interactie, is duidelijk.

Ook op de werkplek is dit een thema.
Als een vrouwelijke collega van een andere vrouw opmerkt dat ze naar de kapper is geweest en hierover iets positiefs zegt, is dat een compliment en is de collega opmerkzaam en vriendelijk. Als een mannelijke collega hetzelfde doet is hij aan het flirten. Als het een (veel) oudere mannelijke collega is, worden de bewoordingen nog wat scherper (ouwe bok, opdringerig en zo).

Omgekeerd gebeurt dit echter ook.
Als een man aan een man vraagt of hij mee ‘een pint gaat pakken’, wil dat zeggen dat hij dorst heeft en iemand zoekt om tegen te lullen. Als een vrouw aan een man vraagt of hij mee iets gaat drinken, is het een verleidster en wil ze beslist meer. Dit laatste althans volgens de omgeving en niet noodzakelijk ook volgens de man en vrouw in kwestie.
Zelfs als de omgeving gelijk zou hebben en er meer volgt, is hier wat mij betreft enkel de gevleugelde uitspraak van François Mitterand op zijn plaats: “Et alors ?“. Als de activiteiten zich niet afspelen op de werkplek of tijdens de werkuren, als er geen sprake is van dwang of machtsmisbruik, als de betrokkenen niet de collega’s gaan bedreigen om hun relatie ‘stil’ te houden of hun partner op oneigenlijke manier professioneel gaan bevoordelen, wat is dan eigenlijk het probleem?

In communicatietraining wordt steeds voorgehouden dat de boodschap niet is wat de zender heeft bedoeld, maar wat de ontvanger eruit opmaakt. Op het moment dat er communicatie is tussen mannen en vrouwen, is de boodschap niet meer wat gezegd wordt maar vaak wel de veronderstelde bijbedoelingen. Zo wordt het heel moeilijk om met mensen vrijuit te praten en wordt het steeds aanlokkelijker om onverschillig te worden. We zeggen niks, dan kan er ook niks verkeerd begrepen worden.

Als een vrouw tegen me zegt dat ik een mooi pak aan heb, bedoelt ze waarschijnlijk gewoon dat ik een mooi pak aan heb. Ze zegt daarmee niet dat ik een mooi kontje heb en ze wil niet met me naar bed.
Als ik tegen een vrouw zeg dat ze een mooi kleedje aan heeft, bedoel ik dat ze een mooi kleedje aan heeft. Ik zeg daarmee niet dat ze mooie borsten/billen/benen (vul in naar believen) heeft en ik bedoel er absoluut niet mee dat ik haar het liefst hier en nu zou willen bespringen.

Waar moeten we de grens trekken?
Mag een man tegen een vrouwelijke collega dezelfde dingen zeggen als tegen een mannelijke? Of mag hij dezelfde dingen zeggen als een vrouwelijke collega tegen haar zou kunnen zeggen? Of houdt hij beter zijn mond en beperkt hij zich tot strikt professionele communicatie? Is het geslacht van de gesprekspartner een voldoende reden om jezelf te censureren? Ik hoorde ooit van een leidinggevende van een groot bedrijf dat hij in de evaluatiegesprekken aan mannen veel directere feedback gaf dan aan vrouwen. Hij deed dit omdat “vrouwen toch veel gevoeliger zijn dan mannen en dat je daar toch rekening mee moet houden”. Ik weet nog dat toen ik dit hoorde, ik bij mezelf dacht: “Is dat zo?”

Naar mijn gevoel wordt de kloof tussen mannen en vrouwen die aardig aan het verdwijnen was, terug uitgediept. De clichés van weleer worden in ere hersteld en vooroordelen bevestigd. Ik kom zelf uit een vrijzinnig nest en de gelijkwaardigheid van beider kunne is er met de paplepel ingegoten. Het gaat me dan ook aan het hart dat spontaniteit in communicatie tussen seksen geblokkeerd wordt door overwegingen of “er misschien niet een (on)bedoelde negatieve (seksuele) co-notatie is of zou kunnen zijn” aan wat gezegd wordt. Het is deze overdreven voorzichtigheid die segregatie en uitsluiting in de hand werkt. Ook over-bescherming en afscherming ontneemt vrouwen professioneel kansen. Vrouwen kunnen echt wel hun mannetje staan (met excuses voor de seksistische woordkeuze) en moeten noch benadeeld, noch betutteld, noch over-beschermd worden.

Ik wil leven in een land en een maatschappij waarin mensen, ook als vrouw in het donker, voldoende vertrouwen kunnen hebben om hulp te aanvaarden. Waar ook mannen een compliment mogen maken als iemand naar de kapper is geweest (cliché alert: ervan uitgaande dat ze het al opmerken). Waar een schuine mop die aanvaardbaar genoeg is om aan een mannelijke collega te vertellen, ook aan een vrouwelijke kan verteld worden zonder plots aanstootgevend te zijn en waar ook vrouwelijke collega’s iets met een mannelijke collega mogen gaan drinken zonder het ‘sletiket’ opgeplakt te krijgen.

Noem me naïef, noem me voor mijn part een flirt of opdringerig, zolang je me maar niet onverschillig noemt. Zo is dat!

Advertenties

“Als het echt is, doen we het wel”

evacuatie-xxx

Onlangs was ik aanwezig op een evenement met ruim 480 ingeschrevenen. Na de koffie en de openingstoespraken werd er in verschillende thematische groepen toelichting gegeven. De situatie was dus dat 480 mensen en wat eigen personeel verdeeld waren over 5 zalen.

Op dat moment gaat het brandalarm af. In de zaal waar ik zat, was geen greintje paniek te bespeuren. Er was ook geen actie te bespeuren. De spreker van dat moment, begenadigd met een uitstekend stel stembanden en dito klankkast, verhoogde simpelweg het volume om zijn uitleg te vervolgen. Het was pas toen ik opstond en de zaal aanzette om te ontruimen dat er reactie kwam. Op onze weg naar buiten passeerden we nog een tweede vergaderruimte. Hier beschikten ze over een microfoon zodat de spreker ook gewoon zijn uitleg kon voortzetten.

Vermits ikzelf ook beschik over een uitstekend stel stembanden kostte het me weinig moeite om ook deze zaal aan te zetten tot ontruiming.

Tijdens onze evacuatie zag ik het aanwezig personeel jachtig over en weer lopen op zoek naar…. de sleutel om het alarm af te zetten. Ik vraag me hardop af of in het noodplan van de evenementlocatie staat dat bij brandalarm, het alarm moet uitgeschakeld worden. Ik was enkele seconden na het alarm in de gang waar ook de alarmcentrale hing, onmogelijk dat ze op dat moment al de nodige controles hadden uitgevoerd.

Wat zien we dus tijdens deze “noodsituatie”:

  • een 80-tal evacuees, 400 potentiële slachtoffers
  • als de leidinggevende personen (de sprekers) niet reageren, blijft iedereen rustig zitten
  • 1 man kan de groep in beweging zetten
  • de noodplannen worden niet gevolgd
  • achteraf was niemand voldoende reflectief om in te zien dat ze hadden moeten evacueren

Ok, er was geen brand en er zijn geen slachtoffers gevallen. Als ik dit echter zie gebeuren, maak ik me ernstig zorgen over de lakse mentaliteit naar veiligheid toe bij organisatoren, personeel en bezoekers

Waarom maken we noodplannen als ze in geval van nood niet gevolgd worden? Was het eigen personeel van de evenementlocatie op de hoogte van het noodplan en getraind om dit uit te voeren? Zit er tussen die 500 man nu echt maar 1 persoon (een PA dan nog) die uit eigen beweging ontruimt bij alarm?

Ik probeerde hierover het gesprek aan te gaan met andere aanwezigen. De meest frapante reactie was dat als het echt zou branden, ze dan wel zou evacueren. Mijn antwoord dat “als het echt zou zijn, ze niet meer buiten zouden geraken omdat ze de tijd vlak na het ontstaan van brand waarbij evacueren vlot kan gaan hebben opgebruikt om zich af te vragen of het wel echt was” werd op schouderophalen onthaald.

Het was niet voor het eerst dat ik geconfronteerd werd met dergelijke reacties op noodsituaties…

Een groot bedrijf had me voor een veiligheidsdag eens ingehuurd om een ontruimingsoefening in scene te zetten. Tijdens een presentatie van een algemeen onderwerp krijgt de PC ‘problemen’ om uiteindelijk te exploderen waarna met een in het spreekgestoelte weggewerkte rookgenerator de ruimte gevuld werd met rook. De rookmelders waren daarbij uit dienst genomen (met officiële documenten) en de poederbrandblusser bij de deur was verwijderd om te vermijden dat iemand vooral wou gaan blussen.We hebben dit in drie verschillende groepen gedaan om daarna te reflecteren over de reacties die we gefilmd hadden. In elke groep was toevallig een automatiseringstechnieker aanwezig. Elk van deze professionals heeft binnen de 5 seconden na de ontploffing de stekker van het toestel uit het stopcontact getrokken (vakmanschap werkt). In elke groep behalve de laatste was iemand die binnen de 20 seconden initatief nam om te ontruimen (training werkt). In de laatste groep zat ook de preventieadviseur die me ingehuurd had en die dus uiteraard op de hoogte was en bleef zitten om de reactie te observeren. Deze laatste groep bleef zitten tot het lokaal zo gevuld was met rook dat de zichtbaarheid ongeveer 2 meter was om dan ook te ontruimen. Tijdens de reflectie werd aangegeven dat de PA bleef zitten en dat ze dus haar voorbeeld volgden (voorbeeldgedrag van gezagsdragers werkt, verkeerd voorbeeldgedrag dus ook).

Tot slot een warme oproep aan alle lezers dezer: als je zelf ooit in de situatie komt dat er alarm is bij een grote groep mensen, NEEM DE LEIDING EN ONTRUIM. Hoe meer aanwezigen, hoe meer er naar elkaar gekeken wordt en hoe kleiner de kans dat er ook effectief iets gebeurt.

TRAIN, TRAIN, TRAIN mensen in het omgaan met noodsituaties. In noodsituaties wordt het cognitief denken verstoord en wordt enkel nog gehandeld uit instinct of wat door training tot een automatisme is gemaakt.