Zomerse Kronkels (5): preventie-eenheden met vervaldatum

Onder het motto #ZomerseKronkels kiezen in juli en augustus 2017 diverse vaste en gastbloggers een stukje van elkaar, en voorzien het van bijkomend, actueel commentaar.

We zijn in het jaar twee na de revolutie. Een revolutie die binnen een aantal jaren  het einde van het monopolie van de externe diensten zal beteken, daar ben ik van overtuigd. Een revolutie ook in de relatie met je externe dienst. En wat valt me op, in jaar twee? Ten eerste de ‘creatieve’ wijze waarop sommige externe diensten met de preventie-eenheden omgaan. Zo hoorde ik nog van een externe dienst die zijn salesgesprekken aanrekent. En ten tweede valt me op dat preventieadviseurs echt liggen te slapen. Ze hebben geen flauw benul van hun contract, van hun preventie-eenheden, van hun slapend kapitaal, van mogelijke projecten… Ze eisen geen service van hun externe dienst. En voor 150,- per uur mag je best veeleisend zijn. Voor een arbeidsgeneesheer is dat zelfs 180,- per uur. Als die voor dat tarief in zijn kabinet blijft zitten, haal je er niet alles uit wat er in zit. Uiteindelijk vraagt zelfs een advocaat minder per uur. Kortom: het marcheert niet. Edelhart Kempeneers, zelf arbeidsgeneesheer, zag dat reeds in deze oude blog. Waarvoor hulde.

Geselecteerde stuk: Preventie-eenheden met vervaldatum (van Edelhart Kempeneers, oorspronkelijk gepubliceerd 22 januari 2017). Veel (her)leesplezier !

devil-deal

Preventie-eenheden met vervaldatum

devil-deal

Ik ga uit de biecht klappen over de preventie-eenheden, meer bepaald wat je moet doen wanneer je er nog van vorig jaar over hebt. Want de duivel zit in de details. Zo ook in de interpretatie van de wetgeving.

Als kind las ik heel graag sprookjes, fabels, sagen en mythes. Nogal eens draaide de spil van het verhaal rond een letterlijke interpretatie van wat beloofd of gevraagd werd. Van de wensen die men met de magische olielamp deed, de contracten met Repelsteeltje, de afspraken met de duivel of de weddenschappen met Loki. Zo verwedde deze god van chaos en leugens er eens zijn hoofd om met twee dwergen dat zij geen drie kunstwerken konden voortbrengen. Toen zij hier toch in slaagden en hun prijs opeisten, het mes in de hand, gaf hij aan dat hij enkel zijn hoofd had verwed, niet zijn nek. Ze hebben dan maar, bij gebrek aan verbeelding, zijn mond dichtgenaaid.

Wellicht is het door mijn ervaring met zulke onbetrouwbare personages, dat ik bij de publicatie van het toen nog nieuwe KB Tarificatie van 23 mei 2014 al een aantal mogelijkheden tot “creatieve interpretatie” zag. Ik heb een aantal hiervan trouwens toegelicht op een webinar van Kluwer op 10 februari 2015.

De preventie-eenheden dus. Het KB geeft aan dat de overblijvende preventie-eenheden overdraagbaar zijn. Betekent dit dat ze automatisch worden overgedragen naar het volgende jaar, en het jaar daarop, tot in het oneindige? Nee hoor.

Om dit in meer detail te bespreken, zal ik eerst het relevante extract uit het KB van 27 maart 1998 (betreffende de externe diensten PBW) erbij nemen. Meer bepaald gaat het om een zin in artikel 13/3 paragraaf 2: “De overblijvende preventie-eenheden zijn overdraagbaar.

Okee, om het meest voor de hand liggende al even uit de weg te ruimen: wanneer je verandert van externe dienst, ben je de resterende preventie-eenheden sowieso kwijt. Ze zijn niet overdraagbaar naar een andere externe dienst. Well duh zeg je nu wellicht, is dat het grote geheim nu? Nee. Het is veel subtieler.

De preventie-eenheden zijn overdraagbaar. Concreet betekent dit dat ze overgedragen kunnen worden naar een volgend jaar, niet dat ze overgedragen moeten worden. Hoe wordt dit nu bij sommige externe diensten geïnterpreteerd? Dat, als een klant tegen het einde van het eerste trimester niet expliciet heeft gevraagd om de niet-opgebruikte preventie-eenheden van het vorige jaar over te dragen, hij ze kwijt is.

Kijk, ik snap de logica wel hoor. In de geest van de wet moet de werkgever, via zijn interne preventiedienst, zelf zijn beschikbare budget preventie-eenheden beheren. Hij moet zelf bepalen welke projecten zullen worden opgenomen in het jaaractieplan en het globaal preventieplan. Dus moet hij ook telkens in het begin van het kalenderjaar bepalen wat te doen met resterende preventie-eenheden van het voorgaande jaar. Het moet niet de verantwoordelijkheid zijn van de externe dienst om zonder meer de niet-gebruikte preventie-eenheden mee te blijven dragen, en dan bijvoorbeeld na tien jaar geconfronteerd te worden met een massief aantal alsnog te presteren uren, wanneer de klant hier dan plots en onverwachts nood aan heeft.

Maar ik hoop wel dat de diensten die dit principe toepassen van een vervaldatum, dit dan ook tijdig en helder communiceren aan hun klanten. Opdat deze dan ook in gezamenlijk overleg met hun externe dienst hun beleid voor het nieuwe jaar kunnen opmaken, en de overblijvende preventie-eenheden van het vorige jaar alsnog kunnen overdragen. De band van de werkgever met zijn externe dienst moet er een van vertrouwen zijn en kunnen steunen op een professionele expertise. Niet een waarbij hij steeds heel zorgvuldig de kleine lettertjes van het contract en de wetgeving moet nakijken…

Wakosta? Geen flauw idee.

labyrinth-xxx

Het rommelt in EDPB-land. Er werd de laatste jaren al gefuseerd dat het een lieve lust was. Van bijna 100 arbeidsgeneeskundige diensten (jaja, zo heetten ze voor de welzijnswet) naar nog slechts een handvol externe diensten PBW. En nu, met de nieuwe tarifering die van start gegaan is, rommelt het plots niet meer alleen aan de EDPB-kant, maar ook langs de klantenkant.

Want plots is elk bedrijf wakker. De debatten gaan tegenwoordig voornamelijk daarover, in allerlei varianten. Gaande van “Hoeveel betaal jij in de nieuwe structuur?” over “In welke tariefklasse val jij?” tot, misschien wel de belangrijkste “Kan jij er nog aan uit?”.

Kan jij er nog aan uit? Wel, ik vind het zelf eerlijk gezegd behoorlijk ingewikkeld worden. Want er is sprake van tariefklasses, voorschotfacturen, een maxiumfactuur, preventie-eenheden, en nog wat leuke nieuwe speeltjes voor wie het graag echt ingewikkeld maakt. Geld dat wordt omgezet in preventie-eenheden, die op hun beurt weer worden omgezet in tijd. Of moet ik zeggen “relativiteit”. Want de ene preventie-eenheid is de andere niet en het ene uur is het andere niet. Eenvoudiger is het er dus niet op geworden. OK, het compleet verouderde indeling van wel/niet onderworpen werknemers is verdwenen. Maar wat we in de plaats kregen? Niet echt een toonbeeld van eenvoud en transparantie.

Ga het maar uitleggen aan je werkgever. En dan krijg je de volgende dialogen:

September 2015…

WG: “Beste preventieadviseur, hoeveel moet er ook alweer gebudgetteerd worden voor onze EDPB volgend jaar?”

PA: “Tja, beste werkgever, dat weet ik eigenlijk niet precies…”

WG: “Hoezo?”

PA: “Ja, er is vorig jaar een KB verschenen waardoor de tariefstructuur vanaf 1/1/2016 helemaal gaat veranderen.”

WG: “Aha, een KB van vorig jaar, dan weten we toch waar we staan!”

PA: “Euh, nee, eigenlijk niet. Want er is sprake van een nieuw KB, dat nog bijkomende wijzigingen zou aanbrengen, en nog wel net aan de tarieven zelf en de indeling van de bedrijven”

WG: “Oei, dan zijn we gejost.”

Fast forward naar januari 2016

WG: “Beste preventieadviseur, hoeveel moet er nu uiteindelijk gebudgetteerd worden voor onze EDPB dit jaar?”

PA: “Tja, beste werkgever, dat weet ik eigenlijk niet precies…”

WG: “Hoezo, nog altijd niet?”

PA: “Ja, volgens de nieuwe regels zouden we een pak meer betalen dan vorig jaar.”

WG: “Oei, dan zijn we nog altijd gejost”

PA: “Maar het schijnt dat er een convenant zou komen waarin staat dat onze factuur niet omhoog mag gaan.”

WG: “Aha, dat is dan toch goed?”

PA: “Ja, er is alleen nog een klein probleempje. Die convenant is er nog niet.”

WG: “En wanneer komt die factuur eigenlijk?”

PA: “Dat zal met voorschotfacturen doorheen het jaar werken”

WG: “Dan krijgen we hetgeen we niet gebruikten daarna toch terug als die convenant er is?”

PA: “Euh, dat weet ik niet zeker, dat is denk ik, vrees ik, eigenlijk niet voorzien door het KB”

WG: “Oei, dan zijn we dubbel gejost. Dan moeten we misschien maar zorgen dat we ons voorschot dat we toch moeten betalen ook helemaal opgebruiken. Wat kunnen we daar eigenlijk allemaal voor krijgen?”

PA: “Euh dat weet ik nog niet precies, want met die preventie-eenheden is het een beetje ingewikkeld geworden.”

WG heft wanhopig huilend de handen ten hemel

PA (wegduikend voor de Codex die hem door de werkgever naar het hoofd wordt gegooid): “Zal ik onze papsy even voor je bellen? Ik kan wel nog niet precies zeggen hoe dat gaat gefactureerd worden.”

 

Preventieadviseurs moeten de frontlinie opzoeken !

We moeten een strategie voor de risicoanalyse ontwikkelen, zegt de wet. Maar dat mag niet teveel kosten, zegt de economie. De eeuwige tweestrijd.

Natuurlijk is er een verschil tussen de ideale wereld en de realiteit. Maar waarom zouden ze niet te verzoenen zijn? Let’s be fair. Niet ieder probeert de primus inter pares te zijn als het over preventie gaat. Sterker, niet iedereen kan dat zijn. Anders is de Gauss-curve geen zier meer waard. En die is tot nader order heilig.

Een aantal preventieadviseurs zit zodanig verweven met bedrijven die grote budgetten spenderen aan veiligheid, dat ze elke zin voor nuance kwijt aan het raken zijn. Het leeuwendeel van de preventieadviseurs zijn “stand alone’s”. Mensen die alleen staan in hun bedrijf. De term ‘interne dienst voor PBW’ is er een synoniem met ‘Jef’, ‘Hilde’ of nog iemand anders.

En zelfs dat niet. Meestal is het een Chinese vrijwilliger die 20 à 50% van zijn tijd “de klus moet klaren” en dan weer met zijn echte werk verder moet. Iemand die klem zit. Klem langs alle kanten. En dat vergeten we.

De wet zegt dat het iemand intern moet zijn, en hij is intern. Maar hij kan niet onafhankelijk zijn. Want in deze onzekere tijden moet zijn huis ook afbetaald worden, weet je wel. De vakbonden zeggen dat het “voor het welzijn is”. Maar Jef is niet communicatief geschoold, laat staan diplomatiek. En de werkgever zegt dat hij “zijn echte job” niet mag verwaarlozen. De job die finaal zijn hypotheek afbetaalt.

Tijdens de opleiding hebben ze hem niets geleerd over legal compliance, wel over risicoanalyse. Strategie, dat ook niet. Wel over stand alone risicoanalyse. Omdat uiteindelijk weinigen daar echt mee bezig zijn. En deze witte raven meestal niet optreden in de opleidingen.

Daar sta je dan als stand alone preventieadviseur, stand alone pro forma risicoanalyses te maken. Niet echt een jongensdroom. En dan komen ze nog af met die psycho-dinges ook. Je voelt de bui al hangen. Nog meer diplomatiek gedoe.

90% van de Belgische bedrijven staat heus nog niet hoog op de cultuurladder. En net daar moeten we onze speren op richten als idealisten. Niet op de BASF’en van deze wereld. Daar loopt het wel ok. Maar op degenen die de laatste 20 jaar nog de grote sprong niet maakten. Daar is het goed toeven voor wie het goed voor heeft met preventie.

En net daar haalt iedereen zijn neus voor op. De externe diensten want er valt geen upselling te halen. De inspectie, want die zit liever in bedrijven waar ze welkom zijn. De niveau I’s die academische vorming genoten vinden het te min, de grote consultants zien te weinig cash in die grote waaier van kleine bedrijven…. Noem maar op.

Ze kiezen voor de comfortzone. Om van de bijne perfecte bedrijven nog quasi perfecte te maken… zoiets als trainer worden bij Barcelona. Veel eer kun je er behalen, progressie kun je er amper maken.

Geef mij maar de FC De Kampioenen onder de bedrijven. Ieder hapje strategie leidt er direct tot resultaat. Direct tot minder ongevallen, verminkten en doden. Daar moeten we zijn als preventieadviseur, externe dienst of inspectie. In de frontlinie van onveiligheid. En niet in de salons van veiligheid.

Comfort bruggepensioneerden of welzijn werkenden?

weegschaal-xxx

Het sociaal akkoord over Stelsel van Werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), het vroegere brugpensioen, voorziet in voorstellen rond de verplichte beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Als compensatie voor de werkgevers gebeurde een koppeling met de tarieven voor de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Het compromis van de sociale partners over de activering van oudere werklozen wordt gepresenteerd als “één en ondeelbaar”. Die stellingname valt niet overal in goede aarde. Het voorstel dat op tafel ligt, is bedenkelijk en op een aantal punten zelfs contraproductief.

“Het compromis is te nemen of te laten”, waarschuwden de sociale partners de regering. Ik verzet me hevig tegen dit standpunt. De koppeling is bedenkelijk en komt neer op een transfer van de oudere naar de jongere generatie.

Bovendien zijn de sociale partners niet consequent. In de Nationale Arbeidsraad (NAR) adviseren ze sinds 2009 unaniem om de werking van de externe diensten te versterken, vooral voor KMO’s. De externe diensten zijn immers de enige instanties die deze expertise bij deze organisaties binnenbrengen. Waarom dan van diezelfde diensten 20% middelen afromen als pasmunt voor de niet-activering van SWT’ers? Dat is pure koehandel.

Om te beantwoorden aan de verzuchtingen van de bedrijfswereld hebben de externe diensten hun werking laten evolueren. We ondersteunen organisaties bij de aanpak van maatschappelijke uitdagingen zoals vergrijzing en burn-out. Maar de huidige werkwijze is nog geënt op de oude noden van de industriële maatschappij. Wat voor zin heeft het om jaarlijks meer dan 1 miljoen gezonde werknemers te onderwerpen aan een medisch onderzoek, louter om vast te stellen dat ze gezond en geschikt zijn om te werken? Een kleine bijsturing naar een tweejaarlijks onderzoek is een besparing die drie keer groter zou zijn voor de werkgevers dan de tariefregeling die het sociale compromis nu voorstelt.

Het vastgeroeste overlegmodel maakt dat de sociale partners blijven vasthouden aan routinetaken zonder meerwaarde, en dat is contraproductief. Zo wordt de veelbelovende samenwerking tussen het RIZIV en de preventieve sector genekt, nog voor die van start kan gaan. In dat kader stelde Minister De Block nochtans al een project voor om bedrijfsartsen en geneesheren-adviseurs van ziekenfondsen beter te laten samenwerken om langdurig zieken sneller terug naar de werkvloer te begeleiden.

Hopelijk durft de ministerraad te innoveren waar de sociale partners dat niet kunnen.

 

Wat is een kameel zonder poten?

kameel-xxx

In De Standaard brachten de werkgeversorganisaties onlangs een gezamenlijk standpunt naar buiten dat in essentie zegt: burnout is géén probleem veroorzaakt door de bedrijven, dus kan de oplossing niet van hen komen. Anderzijds gaan er andere stemmen op om burnout te erkennen als beroepsziekte. Voor een bedrijfsarts met ondertussen toch heel wat jaren op de teller, en die ondertussen al véél heeft zien voorbijkomen blijven beide visies toch even eigenaardig. Wat is er mis met ons sociaal overleg als het tot zulke wereldvreemde standpunten leidt? Hoe is het zover kunnen komen?

In 1901 hebben werkgevers aanvaard dat zij de eindverantwoordelijkheid hebben bij een arbeidsongeval, en dat de medewerker die er het slachtoffer van werd, recht heeft op vergoeding. Een enorme stap voorwaarts waarbij voorzien werd in een minimum van sociale zekerheid. Dat tegelijkertijd strafrechterlijke en burgerrechterlijke immuniteit werd verleend aan de werkgever is verdedigbaar, maar had wel als pervers effect dat vergoeding van schade belangrijker werd dan preventie.

Hetzelfde zien we bij beroepsziekten. Ons land heeft een zeer vooruitstrevend systeem, maar het zorgde er bijvoorbeeld bij de mijnwerkers voor dat ook daar vergoeding voor schade (stoflong) hoger op de agenda stond dan preventie bij de sociale partners die over de prioriteiten beslissen. De oprichting van de arbeidsgeneeskundige diensten in 1968 was een verdienstelijk initiatief om beroepsziekten vroegtijdig op te sporen. Bedrijfsartsen hebben hier zeer goed werk verricht, maar de curatieve aspecten en de benadering op individuele basis is te lang bevoordeeld door de organisatorische structuren. In de industriële samenleving van de tweede helft van de 20e eeuw heeft het nochtans vruchten afgeworpen.

Maar de samenleving is geëvolueerd. Arbeidsgerelateerde aandoeningen, met oorzaken die zowel bij het werk als in het privéleven kunnen te vinden zijn, zoals bv rugklachten en overbelastingsletsels, vroegen een bredere aanpak. Die aanpak moest zowel meer de preventie benadrukken als de multidisciplinaire aanpak. De bedrijven moesten de kans krijgen om hun eigen boontjes te doppen, en overleg binnen de bedrijven moest daarbij vooraan staan. De Wet Welzijn van 1996 is een lofwaardige poging om dit te verwezenlijken. Alle actoren (sociale partners, experten,.. ) zijn het erover eens dat dit de juiste benadering was. Ook de eerste uitvoeringsbesluiten van 1998 gingen de goede richting uit.

Jammer genoeg heeft de typisch Belgische ziekte met als belangrijkste symptomen regelneverij en koudwatervrees die goede bedoelingen vakkundig de nek omgewrongen. Vele betrokken en goedmenende werkgevers, vakbondsverantwoordelijken en experten behaalden op het terrein interessante resultaten niet dankzij, maar ondanks het wettellijk kader. Het bleef vechten om de preventie uit de exclusief individuele sfeer te halen, en collectieve maatregelen ingang te doen vinden.

Ondertussen zijn er andere uitdagingen : de demografische evolutie, het gebrek aan economische groei, de concurrentiehandicap, de loonkost, de nood aan toenemende productiviteit leggen steeds meer druk op werkgevers èn werknemers. Dat geldt ook voor het privéleven en de work-life balance. Allemaal maatschappelijke problemen die om oplossingen vragen die breed moeten worden gedragen. Dat betekent inderdaad dat de oplossing niet van de werkgevers alleen kan komen, maar dat zij wel belangrijke partners zijn om mee te denken aan oplossingen voor problemen waarvoor werknemers èn werkgevers via de sociale zekerheid uiteindelijk toch de factuur betalen. Op het terrein zien we werkgevers die smeken om oplossingen voor de vervroegde uitstroom en het verlies aan know how . Experten op het terrein hebben de ervaring èn de know how om hier een rol in te spelen.

Daarom kijken we met stijgende verbazing naar de discussies in verband met de nieuwe taken en de nieuwe tariefregeling voor de externe diensten die vanaf 1 januari 2016 van start gaat. Net zoals bij de Wet Welzijn is er een vrij grote consensus in verband met de prioriteiten en de expertise die moet worden aangeboden. De discussies van de actoren rond de bijhorende tarieven hebben echter een niveau bereikt intelligente mensen onwaardig.

We weten al jaren dat een kameel een renpaard is dat door het sociaal overleg is “gestroomlijnd”. Als de kameel echter geen poten meer heeft, wordt het moeilijk om vooruitgang te boeken.

Externe diensten en hun oorlogskas…

bron foto: thevirtualleader.wordpress.com

bron foto: thevirtualleader.wordpress.com

Vzw’s. Dat zijn ze. De externe diensten. Allen hebben we er een contract mee. Waarin netjes beschreven staat wat zij doen en wat wij – als interne dienst – doen. So far so good. Akkoord, we betalen ook voor zaken die we niet gebruiken of opnemen. Onze eigen fout. Daarom mijn tip van de dag: lees de kleine lettertjes na en maximaliseer de mogelijkheden. Laat ze werken voor het contract.

Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben. Ze groeien. Ze ontgroeien zichzelf. Of toch hun vzw-statuut. Op de laatste Prenne was “the talk of the day” een fusie tussen twee spelers om samen de grootste te worden. Gefluister in de marge. Maar ook tekenend.

Vzw’s kunnen moeilijk weg met hun “winsten”. Ze zijn min of meer verplicht het op te potten voor andere tijden. En dus hebben ze een kas. Een oorlogskas als we het negatief uitdrukken.

Waarom negatief? Omdat het woord insinueert dat het geld achter gehouden wordt om bij een liberalisering strijd te leveren tegen de paar overgebleven partners. En een strijd te leveren tegen mogelijke nieuwe spelers in de markt. Beiden moeten bestreden worden. En dat is niet goed. Minder concurrentie is niet goed. En middelen verspillen aan zaken die niet-core zijn, is niet goed. Dat geld wordt het beste ingezet in onze gemeenschappelijke strijd: veiligheid voor iedere werknemer. Voor hem en voor zijn gezin dat de klappen opvangt bij “ontij”. Voor hem en de maatschappij die de rekening betaalt bij ellende.

En dus hoop ik op een positieve benadering. Pleit ik voor een positieve benadering. Liberaliseer aub die markt. Laat de externe diensten volop zichzelf zijn: commerciële bedrijven die optimale dienstverlening aanbieden in een competitieve markt. Laat ze zelf hun prijzen bepalen en laat ze hun reserves asap investeren in welzijn op het werk. De markt een nieuw elan geven met nieuwe concepten en nieuwe producten.

Schrik voor dit scenario is nergens voor nodig. Ten eerste omdat iedere medewerker van elke externe dienst het goed voor heeft met de werknemers. Ten tweede omdat de reeds vrije markt voor EDTC’s aantoont dat er bij prijsvorming meer is dan “goedkoop”. Iedere EDTC controleert in eer en geweten arbeidsmiddelen, installaties,… Het feit dat ze daarbij winst maken, staat een correct oordeel niet in de weg. En ten derde omdat de nieuw te ontwikkelen producten de huidige kernactiviteit van arbeidsgeneeskunde zal verplaatsen naar een ruimere blik op welzijn. Welzijn op het werk is immers zoveel meer dan “beeldschermwerk” of “griepprikken”.

De oorlogskassen worden zo iets positiefs. De oorlogskassen worden zo ontwikkelfondsen. Misschien is dit wel de volgende grote sprong voorwaarts: concurrentie in productontwikkeling. Zie het maar als een vorm van MVO: inzetten op welzijn is inzetten op duurzame inzetbaarheid van mensen. Iets waar deze samenleving met haar nieuw uit te bouwen economie zit om te smachten. En zeker ons vakgebied dat een eeuwig chronisch gebrek aan resources heeft.

Tenslotte nog een laatste tip: als ze in dit kader ook willen investeren in kleine KMO’s die overlopen van nieuwe ideeën. KMO’s die nog fris out of the box denken en hen met een paar concepten jaren voorsprong kunnen geven… Dan zijn ze altijd welkom.