“Jaarverslag? Dat ligt hier in de schuif.”

Jarenlang was het de vaste joke. Tijdens opleidingen, tijdens audits.

–        “Wat doet de FOD eigenlijk met al die jaarverslagen die wij hen opsturen?”
–        “Tja, eigenlijk doen ze daar niet echt iets mee, dat ligt daar in een schuif, stof te vergaren.”

Wel, dat is nu voorbij.

Echt.

Je mag nu namelijk het jaarverslag in je eigen schuif bewaren.

De FOD toont daarmee dat ze helemaal mee zijn in de trend om klanten zelf het werk te laten doen. Denk maar aan de banken, waar je nu je eigen betalingen uitvoert, of de zorgsector waar je nu je eigen persoonlijke assistentiebudget mag beheren.

Je moet het wel nog opmaken, dat jaarverslag. Volgens exact hetzelfde formulier, met nog helemaal dezelfde inhoud. Alleen… je hoeft het niet meer op te sturen, je moet het gewoon “ter beschikking houden van de arbeidsinspectie”.

Zoals alle wijzigingen in het voorbije jaar aan de Codex (inclusief de volledige herwerking van de Codex zelf, die ook al op kousenvoeten gebeurde), voelde ook nu de FOD zich niet echt geroepen om er duidelijk over te communiceren. Twee weken na de goedkeuring van het KB (7/2/2018), en niets in de news feed van de FOD te bespeuren. Een summiere vermelding in de handleiding voor de jaarverslagen, daar moeten we het mee doen (voor wie het niet gelooft: via deze link toegankelijk, lees er niet overheen, het staat al in de allereerste paragraaf). 

Nochtans moet dit toch wel heel wat archiefruimte bij hen vrijmaken. Of toch minstens serverruimte. Of beide. Al die jaarverslagen die niet meer bij de FOD in de schuif liggen, maar bij de preventieadviseurs zelf.

Althans, vanaf volgend jaar. Als iedereen het echt gaat weten.

Ik ben eigenlijk benieuwd hoeveel jaarverslagen ze dit jaar nog gaan ontvangen. En of ze die dan allemaal netjes gaan terugsturen met de vraag om die in de eigen schuif te bewaren?

Zullen we een gokje wagen? Ik denk dat er toch minstens 5.000 ondernemingen de FOD nog een jaarverslag gaan sturen.

Wie biedt meer?

Advertenties

TCoW, Total Cost of Welbeing (c)

euromillions

TCO, IRR, ROI. Er begint iets wakker te worden in welzijnsland. We beginnen langzaamaan de focus op de centen te leggen ipv op theoretische veiligheid. Maar er is nog veel werk aan de winkel, nog veel onduidelijkheid ook.

Ik werd de laatste tijd gecontacteerd om mee te werken aan “ROI”, of nee “IRR”, of eigenlijk “TCO”. En natuurlijk “verzuimkost”. Veel klepels, en al evenveel klokken. Boeiend is het zeker. En blij ben ik er zeker mee. Het is een speeltuin met voor ieder wat wils. Zeker met het budgetteringsseizoen dat in aantocht is.

Veel grotere bedrijven beginnen zich eind augustus – begin september op te maken voor het nieuwe budget, ronde 1. Templates en cijfers van de voorbije jaren worden rondgestuurd. Met de vraag om tegen oktober een eerste stap te zetten. Finaliseren van die budgetten is meestal niet voor nieuwjaar, maar ergens in de eerste maanden van het nieuwe jaar. Stressen hoeft dus niet.

Laat je als preventieadviseur ook niet in ’t zak zetten. Aangezien we advies geven, zijn de meeste kosten niet voor ons departement. We hebben misschien heel veel directe kosten te beheren, zoals onze externe dienst, ons personeel van de afdeling, onze arbeidsongevallenverzekering, de PBM’s, … Maar we hebben evenzeer veel kosten niet te beheren.

Advies geven hoort evenwel steeds bij onze job. Dus nee, de kosten voor die ergonomische bureaustoel op een andere afdeling, de kosten voor een nieuwe airco-installatie in het kader van een hitteplan, … behoren niet tot ons budget. Dat schermen we beter af. Maar we geven wel advies. Zo passeerde er onlangs een bedrijf bij me dat dergelijk meubilair direct in kosten neemt, terwijl kapitaliseren beter is voor ons imago. Voor velen is “veiligheidsadvies” nog steeds gelijk aan “kostenplaats pur sang”.

Onze TCO (total cost of ownership) moet je dus goed definiëren. Wat wel en wat niet. Technische ingrepen, installaties, meubilair… op andere afdelingen, zitten er voor mijn part niet in.

De IRR (internal rate of return) van die bureaustoel is natuurlijk weer iets anders. Wat is de interne opbrengst van een geïnvesteerd bedrag in een bureaustoel? Stijgt het rendement van de werknemer, en daalt het ziekteverlof? Concreet aantonen zal moeilijk zijn, en vaak zal je je moeten baseren op algemene cijfers uit de literatuur. Maar zeker het proberen waard.

Bij “verzuimkost” ligt dat niet anders. “De literatuur” en de grote spelers in het veld gaan uit van je directe loonkosten gedurende de periode van gewaarborgd loon en vermenigvuldigen dat met 2.5 of 3. Een beetje in het ijle, maar “de literatuur” is het er over eens. Wie ben ik om dat in vraag te stellen? Ziekte brengt dossierkosten met zich mee, en overhead voor HR, vervanging, overuren voor collega’s… Maar evengoed een besparing als er geen vervanging of betaalde overuren zijn… Dan valt het “tussen de plooien”. Tweeënhalf à drie dus, forfaitair.

En dan het magische toverjargon “ROI”. Finaal aantonen dat de preventieadviseur, zijn afdeling en de kosten voor externe dienst, medisch toezicht, verzekeraar, … “hun geld opbrengen”. Dat valt nog mee. Het is de makkelijkste parameter. Ga op jacht naar je drie-vier grootste kostenplaatsen en snoei recurrent bij die kostenplaatsen. Snoei hoog genoeg om je eigen loon en dat van je medewerkers waard te zijn. Want daar wil je natuurlijk niet snoeien. Ga kijken bij je arbeidsongevallenverzekeraar, bij je PBM-leverancier, bij je arbeidsgeneesheer (moeten die onderzoeken echt, of is er een way out zonder wetgeving of preventie met de voeten te treden?), dure abonnementen die niet gebruikt worden, …

En als het allemaal niet direct aantoonbaar is… schuif de verantwoordelijkheid door naar de CFO of een ander directielid. Met wat geluk kom je daar nog een paar jaar mee weg. Daarna zal je wel degelijk met een sluitend verhaal over TCoW, oftwel “total cost of welbeing” moeten komen. Anders ben je zelf voor je het weet “obsolete” geworden…

Externe diensten en hun oorlogskas…

bron foto: thevirtualleader.wordpress.com

bron foto: thevirtualleader.wordpress.com

Vzw’s. Dat zijn ze. De externe diensten. Allen hebben we er een contract mee. Waarin netjes beschreven staat wat zij doen en wat wij – als interne dienst – doen. So far so good. Akkoord, we betalen ook voor zaken die we niet gebruiken of opnemen. Onze eigen fout. Daarom mijn tip van de dag: lees de kleine lettertjes na en maximaliseer de mogelijkheden. Laat ze werken voor het contract.

Maar daar wou ik het eigenlijk niet over hebben. Ze groeien. Ze ontgroeien zichzelf. Of toch hun vzw-statuut. Op de laatste Prenne was “the talk of the day” een fusie tussen twee spelers om samen de grootste te worden. Gefluister in de marge. Maar ook tekenend.

Vzw’s kunnen moeilijk weg met hun “winsten”. Ze zijn min of meer verplicht het op te potten voor andere tijden. En dus hebben ze een kas. Een oorlogskas als we het negatief uitdrukken.

Waarom negatief? Omdat het woord insinueert dat het geld achter gehouden wordt om bij een liberalisering strijd te leveren tegen de paar overgebleven partners. En een strijd te leveren tegen mogelijke nieuwe spelers in de markt. Beiden moeten bestreden worden. En dat is niet goed. Minder concurrentie is niet goed. En middelen verspillen aan zaken die niet-core zijn, is niet goed. Dat geld wordt het beste ingezet in onze gemeenschappelijke strijd: veiligheid voor iedere werknemer. Voor hem en voor zijn gezin dat de klappen opvangt bij “ontij”. Voor hem en de maatschappij die de rekening betaalt bij ellende.

En dus hoop ik op een positieve benadering. Pleit ik voor een positieve benadering. Liberaliseer aub die markt. Laat de externe diensten volop zichzelf zijn: commerciële bedrijven die optimale dienstverlening aanbieden in een competitieve markt. Laat ze zelf hun prijzen bepalen en laat ze hun reserves asap investeren in welzijn op het werk. De markt een nieuw elan geven met nieuwe concepten en nieuwe producten.

Schrik voor dit scenario is nergens voor nodig. Ten eerste omdat iedere medewerker van elke externe dienst het goed voor heeft met de werknemers. Ten tweede omdat de reeds vrije markt voor EDTC’s aantoont dat er bij prijsvorming meer is dan “goedkoop”. Iedere EDTC controleert in eer en geweten arbeidsmiddelen, installaties,… Het feit dat ze daarbij winst maken, staat een correct oordeel niet in de weg. En ten derde omdat de nieuw te ontwikkelen producten de huidige kernactiviteit van arbeidsgeneeskunde zal verplaatsen naar een ruimere blik op welzijn. Welzijn op het werk is immers zoveel meer dan “beeldschermwerk” of “griepprikken”.

De oorlogskassen worden zo iets positiefs. De oorlogskassen worden zo ontwikkelfondsen. Misschien is dit wel de volgende grote sprong voorwaarts: concurrentie in productontwikkeling. Zie het maar als een vorm van MVO: inzetten op welzijn is inzetten op duurzame inzetbaarheid van mensen. Iets waar deze samenleving met haar nieuw uit te bouwen economie zit om te smachten. En zeker ons vakgebied dat een eeuwig chronisch gebrek aan resources heeft.

Tenslotte nog een laatste tip: als ze in dit kader ook willen investeren in kleine KMO’s die overlopen van nieuwe ideeën. KMO’s die nog fris out of the box denken en hen met een paar concepten jaren voorsprong kunnen geven… Dan zijn ze altijd welkom.